Bijloke

Ten westen, bij de Louis Pasteurlaan, legde Louis Cloquet (1849-1920) de nieuwe universitaire klinische en poliklinische instituten aan, op een half cirkelvormig grondplan en in een zeer persoonlijk geïnterpreteerde neogotische stijl.

De hele aanleg volgde het kwartaalcirkelvormig tracé van de gedempte stadswal waarop de Pasteurlaan na 1860 was aangelegd. Het complex bestond uit een rechthoekig hoofdgebouw dat aan weerszijden geflankeerd werd door twee achthoekige, vooruitspringende paviljoenen die voorzien waren van een kegelvormig dak. Achter deze paviljoenen waren er  rechthoekige gebouwen die haaks op het hoofdgebouw stonden en de verbinding verzekerden met het ziekenhuis.

Door het dominerend gebruik van rode baksteen afgewisseld met arduin voor de plinten, waterlijsten en vensterbanken, vertoonde het gebouw een architectonische eenheid met de naburige Bijloke. De openbare aanbesteding van de ruwbouw had plaats in 1901 en bij de aanvang van het academiejaar 1906-1907 konden de klinieken ter beschikking van professoren en studenten worden gesteld.

Het Bijlokecomplex omhelst de gebouwen gelegen op het terrein tussen de Godshuislaan, de Bijlokekaai, de Louis Pasteurlaan  en de Jozef Kluyskensstraat. Ook enkele gebouwen gelegen tussen de Jozef Kluyskensstraat en de Coupure Links sluiten bij het complex aan. Het geheel in functie van het Bijlokehospitaal is beschermd als monument. Bovendien werd de site in 1980 als stadszicht beschermd.

In de jaren 1980 verdween de zorgsector volledig uit de Bijloke. De gebouwen kregen een nieuwe bestemming. Volgens het RUP van 2004 wordt de Bijlokesite uitgebouwd tot een cultuurcampus. De site wordt de vestigingsplaats van het reeds eerder geciteerde stadsmuseum STAM, de vernieuwde Concertzaal in de oude ziekenzaal (architect Oswald Van de Sompel) en van de productieateliers van muziekgroep Lod en Les Ballets C de la B. Ook de Gidsenbond is er gevestigd.

Er werden nieuwe gebouwen opgetrokken voor de artistieke opleidingen. De Koninklijke Academie voor Schone Kunsten (KASK) en het Koninklijk Conservatorium vormen de School of Arts van de Hogeschool Gent. Deze kunstenfaculteit biedt bachelors, masters en doctoraten in de beeldende en audiovisuele kunsten, vormgeving, muziek en drama. 

Deze opleidingen zijn op de Bijloke gevestigd in de rechtervleugel van het neogotische hospitaalgebouw van Pauli, in de recent gerestaureerde lokalen van het anatomisch instituut Louis Pasteur van architect Cloquet en in de aanpalende nieuwbouw Marissal

De oudste gedeelten van de Bijloke zijn nog middeleeuws. De ziekenzaal ca 1228 (thans concertzaal) was de voortzetting van de stichting Utenhove (1201) naast de St-Michielskerk.

Naast de ruime stapelplaats (afgedankt materiaal, fietsenstalling, …) bevond zich de kapel (later lijkenhuis) in Doornikse steen. Daarachter bevond zich het bakstenen “Craeckhuys” uit de jaren 1500, waar jarenlang patiënten zijn behandeld. Ook in het autopsielokaal was er nog een romaans overblijfsel.

Buiten het complex gelegen, aan de hoek Coupure Links – Hospitaalstraat – Jozef Kluyskensstraat, rechtover de Hospitaalbrug, ligt het neogotische Blindenhuis. Het gebouw is er gekomen dankzij een dotatie van de rijke industrieel Jacques Liévin Van Caeneghem (1764-1847), kasteelheer van Bellem.

Zijn naam, die ook als Van Caneghem wordt geschreven, is vereeuwigd op de gevel van “zijn” Blindenhuis en  in 1864 toegekend aan een nieuwe straat in Gent met als vermelding “weldoener”. Bij zijn overlijden in 1847 schonk hij namelijk aan de Commissie Burgerlijke Godshuizen de toen indrukwekkende som van 100.000 frank voor de bouw van een tehuis voor blinden.

Dit werd in opdracht van de commissie in 1852-1855  opgericht naar een ontwerp van architect Karel van Huffel op de gronden van het voormalige Entrepot aan de Coupure.

Het bakstenen exterieur verraadt onmiddellijk de inspiratie die van de 14de-eeuwse Bijloke-abdij uitging. Het interieur kreeg een aankleding met kruisribgewelven. Ofschoon neogotisch van vorm betreft het een klassicistisch concept.

In 1855 konden er een 30-tal blinde mannen er hun intrek nemen. Ze werden er verzorgd door de broeders van Liefde. Tussen 1893 en 1906 bood het gebouw ook onderkomen aan de kliniek Neus-Keel-en Oorziekten van de Gentse universiteit. Het gebouw deed tot 1913 dienst als tehuis voor blinden, waarna het bij het stedelijk hospitaal De Bijloke ingeschakeld werd als centrum voor de behandeling van o.a. chronische en tuberculosepatiënten. De drie overgebleven blinden werden net voor de Wereldtentoonstelling in Gent overgebracht naar het Lousbergsgesticht op de Heirnis.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog was de Bijloke een Kriegslazaret en kwam de dienst inwendige vrouwengeneeskunde in het Blindenhuis terecht. De TBC-afdeling werd in 1965 opgeheven, maar de chronische patiënten werden er nog tot het begin van de jaren 1970 verzorgd door cisterciënzers.

In 1980 werd het Blindenhuis beschermd als monument samen met Farmakodynamisch Instituut op de hoek van de Jozef Kluyskensstraat en de Albert Baertsoenkaai, de beroemde oude ziekenzaal van de Bijloke en de aanpalende kapel, het craeckhuys, de voormalige verblijfplaats der hospitaalzusters, het instituut voor ontleedkunde,alle met adres aan de Godshuizenlaan, en tenslotte de voormalige materniteit met de vroedkundige school aan de Bijlokekaai.

Na 30 jaar leegstand en aanpassing van het BPA 116-deel Coupure werd het Blindenhuis in de periode 2000-2003 gerenoveerd door de ad-hoc nv Blindenhuis naar plannen van architect Pol Cools. Nu zijn er onder andere een researchbureau, een architectenbureau en de uitgeverij Dupuis gevestigd. Ondanks de bescherming werd er aan de kant van de Jozef Kluyskensstraat in de voormalige tuin een appartementscomplex gebouwd met 42 woningen en een ondergrondse parkeergarage voor 150 wagens “in de lijn met de stedelijke reglementering die bepaalt dat de woonfunctie in de binnenstad moet worden behouden”.

De zijvleugel van de Bijlokabdij is een prachtig voorbeeld van vroege 14-eeuwse baksteenarchitectuur. Het is één van de hoogtepunten van de baksteengotiek. Het maakt deel uit van de centrale gebouwen van de abdij die rondom een binnentuin zijn geschikt, wat een cisterciënzerinnenabdij typeert.  Deze abdij ontstond in 1228 toen het Mariahospitaal, oorspronkelijk ingericht in een woning nabij de Sint-Michielskerk, naar de Bijlokemeersen werd overgebracht. De fenomenale stedelijke expansie en de bevolkingsaangroei in de 13de eeuw maakten een georganiseerde ziekenzorg in hospitalen en godshuizen noodzakelijk. Deze westgevel is te zien vanaf de Godshuizenlaan. Het maakt deel uit van het in 1943 beschermde klooster. De zusters verlieten het Bijlokeklooster in 2001.  Vanaf 2002 werden op de eerste verdieping diverse culturele vzw’s gehuisvest. De benedenverdieping werd gebruikt als tentoonstellingsruimte.

Eén van de bekendste ruimtes in de Bijlokeabdij is de refter achter deze gevel, die is overdekt met een houten spitstongewelf en voorzien van 14de-eeuwse gotische muurschilderingen, waaronder een Laatste Avondmaal.

Het stadsziekenhuis de “nieuwe Bijloke” werd ontworpen door stadsarchitekt en hoogleraar Adolphe Pauli (1820-1895. Is eveneens de ontwerper van het “Gesticht Jozef Guislain”, het eerste zenuwlijdersgesticht van het land) en opgericht in de Jozef Kluyskensstraat in de omgeving dus van de oude Bijloke. Met de bouw van dit neogotisch complex, aggregaat van afzonderlijke paviljoenen voor mannen, vrouwen en kinderen met een totale capaciteit van 800 bedden, werd in 1864 gestart.

In 1871 konden de eerste patiënten worden overgebracht naar de eerste afgewerkte vleugel, doch de nieuwe Bijloke, met hoofdingang langs de Jozef Kluyskensstraat , was slechts af in 1878, met ruime ziekenzalen, poliklinieken, apotheek, een kwartier voor de internen en lokalen voor de inwonende directeur en aalmoezenier.

In principe werd eenieder die zich in het armenhospitaal van de stad aanbood kosteloos verpleegd, ongeacht geslacht, milieu of woonplaats. Zwangeren, kinderen minder dan 8 jaar, zwakzinnigen, geestesgestoorden en lepreuzen moesten echter elders terecht.

Typisch waren de hoge, neogotische ziekenzalen. Volgens de toen heersende hygiënevoorschriften moesten de ruimtes hoog zijn om voldoende luchtverversing te bekomen. Wat voor de verwarming der enorme zalen wel problemen veroorzaakte.

Als men de ruime hal binnenkwam waren de mannenzalen links en de vrouwenzalen rechts. Er heerste een speciale sfeer in die Oude Bijloke. De eindeloze gangen, de schaarse verlichting ‘s avonds, de schuifelende tred van de aalmoezenier voorafgegaan door een zuster met lantaarn voor berechting van een stervend oudje. De masseur zorgde dan ook wel voor “‘t kruiske van den dood” tussen de vingers. Het stadshospitaal was van de C.O.O. (nu OCMW). Er kwamen vele oude mensen overwinteren maar niet iedereen overleefde die koude winterperiode, voornamelijk ten gevolge van een longontsteking.

Verwarming en verzorging, voor behoeftigen kosteloos. Als de lente en de zon verschenen, voelden ze zich genezen en konden ze weer naar huis. Tijdens de 2e wereldoorlog was de helft van het hospitaal voor de Wehrmacht (gekwetsten, zieken, …), de andere voor de stadspatiënten. In de tuin waren er schuilkelders die met het ziekenhuis verbonden waren. In deze periode is er een poging geweest de Bijloke op te blazen. Er was ook een verbinding met de universitaire poliklinieken aan de Pasteurlaan en de Godshuizenlaan, waarlangs patiënten per rijdende brancard of rolstoel naar “de piste” werden overgebracht (demonstratie in de rotonde of klinische les; zo hebben we b.v. nog onze magistrale chirurgie-prof. Fritz De Beule een borstamputatie zien uitvoeren in volle studentenklas). Aangezien er van gebruik van het Academisch Ziekenhuis nog geen sprake was, bestond er een overeenkomst tussen Stads-COO en Faculteit Geneeskunde der Unief ter verdeling van de zalen en de patiënten. Dit bracht wel rivaliteit en wrijvingen mee nl. van op “de wacht” (de opname aan de ingang) werden er soms interessante gevallen “weggesmokkeld”.Op de verdieping waren er kamers voor betalende patiënten. Rond en in iedere zaal was er wel een kat om muizen en ratten weg te houden. Van toxoplasmose e.a. infectie-overdrachten had men nog niet veel weet.

Achthonderd jaar lang waren de zusters verantwoordelijk voor het bestuur van de abdij  en de ziekenverpleging. In de 17de eeuw werd de abdij in noordoostelijke richting uitgebreid met wat later het klooster zou worden.

In 1797 werd de abdij afgeschaft en verlieten de zusters de Bijlokesite. Het hospitaal kwam onder het bestuur van de commissie der Godshuizen. De zusters keerden echter enkele jaren later terug en namen hun intrek in de voornoemde 17de-eeuwse uitbreidingen, vanaf dan “Bijlokeklooster” genoemd. De overige abdijgebouwen deden tussen 1805 en 1911 dienst als “oudemannenhuis”.

Na de eerste wereldoorlog kocht de stad deze abdijgebouwen om er het Oudheidkundig Museum in onder te brengen. Wat volgde was een  zeer ingrijpende restauratie. Daarbij kwam het interieur van de voornoemde abdijrefter opnieuw aan het licht. De stuczoldering van Pieter Marijn –in de 18de eeuw in de refter aangebracht– werd verwijderd en ondergebracht in de daarvoor speciaal bijgebouwde nieuwe zaal “1715”.

Er volgden nog meer dergelijke historiserende constructies. In 1926 werd door toedoen van de vereniging “De Vrienden van Oud Gent” aan de Godshuizenlaan een nieuw toegangsgebouw opgetrokken, met als centraal element (de reconstructie van) de in 1879 afgebroken barokke toegangspoort van het Sint-Elisabeth-Begijnhof en die tussendoor acht maanden te zien was aan de ingang van “Oud Vlaendren” op de Gentse Wereldtentoonstelling van 1913.

In 1928 opende het Oudheidkundig Museum er de deuren en dit tot 2005.

De abdij- en kloostergebouwen ondergingen een grondige restauratie in functie van de inrichting van het nieuwe Stadsmuseum STAM. Eind 2007 werd begonnen met de afbraak van enkele recente bijgebouwen en begin 2008 ging men van start met de bouw van het door velen gecontesteerde  nieuwe toegangsgebouw, ontworpen door stadsarchitect Koen Van Nieuwenhuyse. Op 9 oktober 2010 opende het Gentse Stadsmuseum STAM zijn deuren.

Eveneens door de Zusters Cisterciënzerinnen bediend was de “Refuge” aan de Coupure (Toevlucht van Maria). Gezien daarheen privé-patiënten werden versluisd, noemde men deze Refuge de Marie ook wel “le Refuge des professeurs”. In 2012 is die kliniek tot home verbouwd (waar ook de laatste Zusters uitsterven). Vlakbij de ingang en hal (rechtover de wacht & opname) was de apotheek. Platte Gentenaars spraken van “‘t besoch” (bezoek). Voor patiënten die in ontwenning waren werden soms ganse “kaba’s” (boodschappentas) bierflesjes binnengesmokkeld. De meeste lessen kregen we in de twee rotondes van de poliklinieken (door architect Cloquet ontworpen). Ook sommige in het Rommelaere-instituut (rechtover de Bijloke).

Omstreeks 1900 richtte men diverse universitaire gebouwen op die met de Bijloke verband hielden. Architekt was Louis Cloquet (1849-1920). Dit is een universiteitsgebouw ten noordoosten van de Bijloke  dat in de periode 1899-1905 aan de Hospitaalstraat werd opgericht met ingang in de Jozef Kluyskensstraat  voor onderricht en onderzoek inzake gezondheidsleer en bacteriologie. In de Apotheekstraat werd het volgende opschrift aangebracht: “Institut W. Rommelaere. Fondation Arthur Renier. En souvenir de ses bien-aimés parents G.-L. Renier et M.-H. Yserbyt”. Wie waren de vermelde personen en welke banden hadden zij met de Gentse universiteit?

Willem Rommelaere (°Gent 1836 + Brussel 1916) studeerde geneeskunde aan de Gentse Universiteit en behaalde het diploma van arts in 1861. Hij huwde in 1867 in Parijs met A. Pideux, vestigde zich in Brussel en werd er dat zelfde jaar aangesteld als “médecin des pauvres” door het “het Conseil des Hospices”. In 1869 werd hij belast met het geven van klinische lessen in de ouderdomsziekten. In 1870 werd hij aangesteld als geneesheer van het Sint-Pietersinstituut en docent menselijke anatomie aan de Brusselse universiteit.

Als lid van de Koninklijke Academie voor Geneeskunde pleitte hij er voor dat aan de universiteit naast de onderwijskundige taak ook een grotere wetenschappelijke rol zou worden toevertrouwd. Om dit mogelijk te maken dienden dus klinische instituten te worden gerealiseerd. Eén van zijn gefortuneerde patiënten, Arthur Renier, bedacht hem daarom in 1895 in zijn testament, waarover later meer. Rommelaere’s aspiraties op het vlak van instituten werden aan de ULB tussen 1889 en 1893 één voor één gerealiseerd met privé-kapitaal o.m. komende van de gebroeders Solvay.

Na een zware crisis sloot de ULB haar deuren en in 1894 kwam een meer progressieve Université Nouvelles de Bruxelles tot stand. In deze crisissfeer werd Willem Rommelaere tot rector van de ULB verkozen wat hij bleef tot 1896. Vanaf 1895 werd hij lid van de raad van bestuur en in 1907 zelfs voorzitter van de ULB. Hij overleed in 1916 en schonk in zijn testament een aanzienlijke som aan de ULB met de wens deze aan te wenden voor de verbetering van het klinisch onderwijs.

Uit een onderzoek blijkt dat de voornoemde familie Renier geen enkele band had met de universiteit. Arthur Renier (°Harelbeke 1843, +Le Cannet (Fr) 1896) was de enige zoon van Grégoire Louis (°Deerlijk 1817, +1868, bureauchef bij het West-Vlaams provinciebestuur) en Marie-Hélène Iserbyt (°Meulebeke 1816,+ 1901). Deze Arthur bezat geen diploma, was een tijdje gehuwd met de operazangeres Sylvia de Montoya (artiestennaam Montalba) en heeft in de eigenlijke zin van het woord nooit gewerkt.

Als opportunist, sjoemelaar, woekeraar en/of gewiekst zakenman verzamelde hij wel een kapitaal. In zijn handgeschreven testament van 1895 maakte hij de Belgische Staat tot zijn universeel erfgenaam. Hij stierf kinderloos en volgens zijn testament mocht de Belgische staat over zijn zogezegd fortuin beschikken onder voorwaarde “que le capital disponible soit affecté à la creation d’un établissement d’études médicales, sous la dénomination d’”institut Rommelaere” . Dit fortuin bestond echter hoofdzakelijk uit schuldbrieven waarvan de Belgische staat uiteindelijk, na jaren procederen, slechts enkele kruimels kon incasseren.

Arthur Renier was één van Rommelaere’s patiënten geweest en hij wou door dit legaat zijn dankbaarheid tegenover zijn arts uitdrukken door diens dierbaarste wens, de oprichting van een medisch onderzoekslaboratorium, te helpen realiseren. Daar Renier had nagelaten in zijn  testament de begunstigde instelling aan te wijzen en Gent reeds jarenlang vragende partij was naar medische laboratoria, bleek de Gentse universiteit uiteindelijk de enige staatsinstelling te zijn die in aanmerking kwam voor het onverwachte legaat. Willem Rommelaere was naar verluidt sterk ontgoocheld over deze gang van zaken maar protesteerde niet.

Naar aanleiding van de viering van 75 jaar Belgische onafhankelijkheid, waarbij de toenmalige koning  Leopold II enkele belangrijke realisaties van openbare gebouwen in Gent officieel wou openstellen, werd het Rommelaere instituut op 18 juni 1905 plechtig geopend. Onder de aanwezigen de Brusselse hoogleraar W. Rommelaere. In zijn toespraak loofde de Gentse rector Arthur Renier, een persoon die nooit een voet had gezet aan de RUG.

Gebrek aan plaats, inefficiëntie van de gebouwen en moeilijkheden met het Burgerlijk Hospitaal zetten de universiteit aan een eigen, onafhankelijk Academisch Ziekenhuis op te richten buiten de stad. Sinds 1959 werden geleidelijk alle klinische diensten naar daar overgebracht.

De vrijgekomen gebouwen zijn door andere universitaire seminaries betrokken: de Dienst voor Gerontologie, Diëtiek en Voedingshygiëne, Seminarie en laboratorium voor Didactiek, voor Jeugdwelzijn en Volwassenvorming, het Instituut voor Histologie, Embryologie en het laboratorium voor Toegepaste Psychologie.

Samen ontworpen met de overige universitaire wetenschappelijke instituten (zie Albert Baertsoenkaai) in eclectische stijl, zijn deze gebouwen enigszins soberder opgevat vnl. wat het materiaalgebruik betreft, gelet op de integratie met de Bijlokegebouwen. Schikking van het grondplan en binneninrichting waren hier ook volledig door hun functie bepaald: de laboratoria, operatiezalen en auditoria moesten onmiddellijk toegankelijk zijn vanuit de hospitalen.

Voor de Gentenaars is het Bijlokehospitaal een begrip. Meer dan zeven eeuwen vervulde deze instelling de haar toevertrouwde opdracht: behoeftigen eerst enkel verzorgen en later ook behandelen. Met de overheveling ervan naar de Henri Dunantlaan in 1982 werd aan de ziekenhuiscarrière van de Bijloke een einde gesteld.

Het in 1228 gestichte Bijlokehospitaal, opgericht op gronden aan de cisterciënzers geschonken door de graaf en gravin van Vlaanderen ter ere gods en als aalmoes, gelegen in de drassige Bijlokemeersen op het grondgebied van Ekkergem. Vrijwel vanaf het begin heeft men de plaatsnaam (Biloca, Biloke, Bijloke, wat afgesloten plaats betekent) gegeven aan zowel het klooster als aan het ziekenhuis. Deze naam heeft de eeuwen getrotseerd.

Tijdens de Calvinistische republiek van Gent (1578-1584) werd het klooster verwoest en de zusters uit de Bijloke verdreven. In 1585 keren ze terug om een nieuw en groter klooster te laten optrekken. Door de Franse bezetter werd de Bijloke zwaar getroffen. Het klooster werd afgeschaft in 1798 en de zusters verdreven uit huis en hospitaal.

Het beheer werd overgenomen door de Commissie der Burgerlijke Godshuizen met chaos tot gevolg. De zusters werden teruggeroepen en het beheer werd overgedragen aan kanunnik Triest. Toen in 1809 Napoleon I aan de hospitaalzusters een aanvaardbaar statuut toekende, bleef de commissie der Burgerlijke Hospitalen de scepter zwaaien en werden de zusters bezoldigde dienstplichtigen.

Met de stichting van de Gentse Rijksuniversiteit in 1817 werd de onderwijsfunctie van het ziekenhuis aangepast en bleef de Bijloke hospitaal de zetel van het klinisch onderwijs. De gebouwen voldeden echter niet aan de vereisten en dus werd er geijverd voor het oprichten van een nieuw ziekenhuis dat er in 1878 is gekomen en te bewonderen is op de Suggkaart dat in handen kwam van een wereldlijk directeur.

De zusters Cisterciënzers zijn echter tot 1982 aan hun verpleegtaak trouw gebleven. Enkele waren sedert 1959 meegereisd naar de Kinderkliniek van het AZ.

Alexander Karel Evrard

De sympathieke bediende in de Anatomie Hippoliet Van Ootegem kookte beenderen uit de dissectiezaal af, die studenten zich ter studie aanschaften. Door Dr. Urb.Thiry werd een eentalig letterkundig en historisch tijdschrift“Les Cahiers de la Biloque” uitgegeven. Als de stagiairs ‘s morgens ruim nuchter bloed kwamen afnemen was de reactie soms: “Ja, ze gaon weere bloewuste maoke”. Op de zaal stonden siphonflessen spuitwater, waarvan studenten soms misbruik maakten om mekaar te belagen. Medicatie werd in een groot receptenboek voorgeschreven. Het waren toen nog meestal bereidingen (en niet zoals nu kant en klaar verpakte specialiteiten. De apothekers hadden er nog werk aan en droegen meer verantwoordelijkheid. Nu dreigen deze intellectuelen eerder winkeliers te worden. Wij gebruikten nog ventousen (brandglazen) tegen pneumonie (vanaf ‘44-45 verdrongen door penicilline) en bloedzuigers tegen beroerte. Buiten alcoholisme betroffen vroeger de meeste verslavingen morfinomanie, vooral bij dokters, verpleegsters of apothekers die er het gemakkelijkst konden aangeraken. Vooral bij vrouwen zagen we verslaving aan poeders van ‘t Wit Kruis als stimulerend middel door de aanwezigheid van caféine.

Als een behandelende arts geen duidelijke verklaring voor eerder vage klachten vond, was wel eens de sussende uitleg “Madam, ‘t zal van de lever zijn”(een nogal mysterieus orgaan met brede rug). Zenuwlijders lagen eerst verspreid over gans ‘t hospitaal, zodat gans de processie (diensthoofd, werkleider, assistenten, stagiairs, verpleegsters) kilometers moest afleggen voor “den tour de salle” (die bijna geheel de voormiddag kon duren). Sinds 1955 werden de neuropsychiatriegevallen samengebracht in 2 enigszins vernieuwde zalen (14-15) aan de Bijlokekaai (rechtover de bootjes van Dua op de Leie). Dit onder het waakzaam oog van Zuster Tarcisia (die door de studenten “het Fort” werd genoemd om haar indrukwekkende gestalte).Voor de Zusters in het algemeen heb ik wel altijd respekt gehad, omdat ik soms zag dat ze zelf met gezwollen benen naast de bedden stonden (dat ze duszelf hadden moeten rusten of behandeld worden, doch dat ze hun zieken nietin de steek wilden laten).

“De Blauwe Kamer” was een isoleercel voor geagiteerde patiënten (met ijzerbeklede deur, waarin een kijkgaatje; beschermde verlichtingslamp bovenaan;in de vloer gefixeerd ijzeren bed). Er kon gebruik gemaakt worden van een dwangbuis of dwangjak, in sterke moeilijk verscheurbare stof, met lange mouwen die op de rug werden samengeknoopt (in het Frans camisole de force, in de volksmond: ‘n zottencapote). Daar werden manisch-agressieve gevallen in ondergebracht, maar vooral in de weekends ook alcoholisten die door de Gentse politie werden binnengebracht. In de psychiatrie had men nog niet veel anders dan bromuren of bromiden, enkele barbituraten en de chloralsiroopfles waarmee de Zuster ‘s avonds rondging om bij de zieken een goede nachtrust te induceren. Er was ook een grote rose fles (met zelfs een doodshoofd op: ne pas dépasser la dose prescrite) waarin niets anders stak dan frambozensiroop. Dat wergegeven aan ingebeelde zieken en aan hysterische patiënten, en die waren daar tevreden over. Alleen al het gedacht doet ook veel (suggestieve psychotherapie of placeboeffect).

Zoals wij de penicilline in ‘44 hebben weten binnenkomen, kwamen de psychofarmaca pas in het begin der vijftiger jaren op de markt (Largacti, reserpine, haloperidol), en dat veranderde wel de sfeer in de psychiatrischeafdelingen en de gestichten. Zoals in de periode die ik hier bedoel, de ingewikkelde technische onderzoeken nog niet bestonden, waren ook de medicatiemogelijkheden nog beperkt. En werden nog vaak plantenextracten voorgeschreven als meidoorn, maretak of valeriaan. Opiumpillen of laudanum kwamen ook voor. Electroshock werd tegen zware depressie (met suïcidedreiging) regelmatig toegepast. Zo heb ik in de loop der jaren drieduizend shocks moeten toedienen, maar heb er geen enkele ernstige complicatie mee ondervonden. Dat was toen het enige dat hielp.

Tegen dementia paralytica (laattijdige verwikkeling van syfilis in de hersenen) werd malariakuur aangewend (die dan met kinine moest worden beëindigd). Daartoe dienden wij dan eerst een besmette mug uit het Tropisch Instituut te Antwerpen te bestellen.

Algemeen werd het mannengesticht “Saint-Guislain” genoemd, hoewel de man (later tot grootste prof van Gent uitgeroepen) nooit tot de eer der altaren werd verheven. Smalend werd gezegd dat de “Gezondheidsstraote (op de Brugse Poort) tussche ‘t kirkhof en ‘t zothuis” lag.

Vóór de verhuis naar de nieuwbouw op Ekkergem werd op één namiddag gans de inboedel van het historische ziekenhuis publiekelijk verkocht. Vooraf was er een kijkdag voor gegadigden waarbij men kon zien dat keuken en kelders bruin zagen van de kakkerlakken en waarbij koperen klinken van de deuren verdwenen waren. De veiling zelf verliep in een hels tempo. Het eerste lot: 850 ijzeren bedden, niemand geïnteresseerd? Adjugé, aan een opkoper van oude metalen, voor versmelting. Een massa houten rekjes waarop bedlegerige patiënten konden eten; 1 fr. ‘t stuk, niemand? 0,50 fr. niemand? Toegewezen aan 25 centiem voor stoofhout.En zo ging dat door tot de inboedel van de (ontwijde) kapel toe.

De ziekenzalen van 1870 gingen stedelijke onderwijsinstellingen worden. Het unieke gotisch hospitaal van 1228, waar eeuwenlang zoveel patiënten kreunden en stierven, zou voortaan voor muziek en zang gaan dienen.Sic transit gloria mundi…(Alexander-Karel Evrard 88 j).

Op 30 october 1899 stelde Louis Cloquet in de rubriek “Religieuze Gebouwen-Godshuizenlaan Nrs. 2-4-XIVe eeuw” in het Frans, een fiche op over:

De Puntgevel van de Refter van de Bijloke

De oude gebouwen in Vlaamse baksteen wedijveren met deze van Lombardije en het Noorden van Duitsland. De stad Brugge bezit het grootste aantal specimens in zijn sierlijke puntgevels. Het meesterwerk in dit genre is te zien in Gent nl. de monumentale puntgevel van de Bijloke aan de Godshuizenlaan. De laatste vleugel behoorde bij het klooster Sancta Maria en bevatte op het gelijkvloers de Refter van de kloosterzusters die gehecht waren aan het ziekenhuis. Op de eerste verdieping was de kapittelzaal. Het klooster werd opgericht in 1228, maar te oordelen aan de stijl kan de vleugel met onze puntgevel slechts teruggaan tot de XIVe eeuw. De architekt heeft er plezier in gevonden met een zeldzame virtuositeit, een rijkdom waarvan slechts zelden voorbeelden te zien zijn, op deze gevel omamenten te spreiden uitgevoerd in uitstekende gemoulureerde baksteen. Verschillende rijen breed geprofileerde sierlijsten worden gevormd door kolossale bakstenen die 0,40 m. hoog en breed zijn. Zij tekenen een rechtlijnige driehoek af die een grote, drielobbige boog omsluit, zoals men kan zien in menig puntgevels in Oost-Vlaanderen waarin het tracé van de oude, houten puntgevels nagebootst wordt. In het midden van de puntgevel wijst een opgaande band sierlijsten tussen twee oculi op de aanwezigheid van de schouw. Aan de basis van de driehoek zijn 4 diepe, blinde vensteropeningen aangebracht. De rest is versierd met klaver, vierpassen en rozetten. Een massieve muur onder de puntgevel wordt doorbroken door twee vensters met spijlen die zich schuilen onder de ontlastingsbogen. Deze muur wordt vertikaal verdeeld door een brede steunbeer achter dewelke een monumentale schouw bestaat. Op het bovenste deel van deze muur, binnen, zijn de schilderingen, beschreven in deze Inventaris (1). Een restauratie van dit ensemble werd uitgevoerd in 1892-93 door Mr. Aug. Van Assche.

(1) Inventaire archéologique, aflevering VI, nrs. 53 en 54 (notities van Mr V. Willem).

———-

Bron:

Ghendtsche Tydinghen 1995 – Vol24 N°1

Ghendtsche Tydinghen 2012 – Vol41 N°3

libstore.ugent.be

gentblogt-archief.stad.gent/2013/08/16 – de Bijloke (Arthur De Decker en Jos Tavernier)