Graslei-Korenlei

Deze losplaats, ook “Tusschen Bruggen” genoemd, was tot begin 19e eeuw een drukke handelshaven.  Pas eind 18e eeuw verkreeg de oostkaai haar huidige naam nl. Graslei. Daarvoor was het ironisch genoeg gekend als Koornlei of gewoon Lei. De westkaai droeg de naam St.-Michielslei tot begin 19e eeuw. En veranderde nadien in Koornlei.

De Korenlei geeft een rustiger sfeerbeeld weer dan de Graslei. Ze bekoort eveneens door de statige, imponerende woningen aan de oevers van de Leie. Vroeger vonden hier verschillende markten plaats. In 1563 was er de Vrijdagse paardenmarkt en vanaf 1837 de bezemmarkt. Ook een fruit- en appelmarkt op de Graslei sinds 6 januari 1837. Voordien hield men die fruitmarkt op de Korenmarkt en de Appelmarkt op het Sint-Veerleplein.

Aan de Graslei was een eerste stenen kaaimuur te bewonderen in 1562. Beneden de kaaimuur was er ooit een trekweg of “wandellynghe”.

Ook aan de overzijde op de Koornlei was er een aarden trekweg.

Hier kon uit de stand van het water in de Leie de watertoestand in gans Vlaanderen worden afgeleid.

In 1661 werden op de Graslei een 20-tal lindebomen aangeplant maar door de drukte van weleer verdwenen die rap uit het stadsbeeld.

gentgrasleileonardluipaardfb

Door het stapelrecht had Gent het voorrecht beslag te leggen op een kwart van alle invoer van graan (Fr. Artesië) bestemd voor het graafschap Vlaanderen. Dit hield in dat het verworven graan acht tot veertien dagen in een spijker of stapelhuis werd opgestapeld vooraleer verkocht te worden op de Korenmarkt. Brood was toen het voornaamste etenswaar waardoor Gent zich in een weelderige situatie bevond.

De stapelheren waren belast met de controle op het naleven van het stapelrecht. Daarbij werd tot in detail de gegevens over het graan opgevorderd. De tol is een specifieke belasting op de doorvoer van goederen. Deze werd geheven op de plaats van aanmeren om zich te onderwerpen aan het Gentse privilege van de stapel. We mogen er van uitgaan dat in het “Tolhuis van den Coerne” hier aan de Graslei de tol vereffend werd.

Volgens het Renteboek van de Armentafel van de St.-Niklaaskerk eind 13e eeuw bezat het Korenstapelhuis zowel vooraan als achteraan 5 boven elkaar gelegen ‘graenders’ of korenzolders. In de buurt van de Graslei waren in de 16e eeuw zo’n 150 stapelhuizen gekend, allemaal voorzien van zware eikenhouten vloeren.

Langs de kade lieten de rijke gilden imposante handelshuizen optrekken. Getuige hiervan het indrukwekkend uitzicht op de oevers van de oude haven met gebouwen die tot de verbeelding spreken. Aan de Graslei het gotische Gildehuis der Vrije Schippers (1531), het Korenmetershuis (1692), het Tolhuisje (1682), het Stapelhuis (12e eeuw) en ’t Spijker nabij de Hooiaard. Langsheen de Korenlei het Gildehuis der Onvrije Schippers (1740) en enkele grote herenhuizen.

Gentoudgrasleina1913lossenschiprolanddesmetFb

Steden zochten naar oplossingen om het stapelrecht te ontlopen. Beetje bij beetje verloor Gent zijn bevoorrechte positie om in 1734 zelfs het ambt van stapelheer af te schaffen. Het opkomende succes van de aardappel in de 18e eeuw was een concurrent voor het brood en het graan. Het succesverhaal naderde zijn einde.

De wereldtentoonstelling van 1913 zorgde voor een grondige restauratie van de omgeving.

Gebouwen werden in ere hersteld, de St.-Michielsbrug vernieuwd en nieuwe imposante constructies opgetrokken. De oude haven zou een toeristische trekpleister worden.

Tot voor de Tweede Wereldoorlog was er tijdens de zomer iedere dag fruitmarkt op de Graslei. Kraampjes van fruithandelaars en landbouwers reikten soms tot aan de tramsporen van de Koornmarkt.

De St.-Michielsbrug verwijst naar de St.-Michielskerk. Aanwijzingen voor een brug op die plaats dateren reeds van 1292. In 1754 werd overgeschakeld op een houten draaibrug, in die periode een algemeen gebruik. Toen kwam er in 1868 een metalen draaibrug die de nodige problemen met het tramverkeer veroorzaakte. Uiteindelijk werd geopteerd voor de huidige sierlijke stenen boogbrug afgewerkt in 1909.

De Grasbrug heette vroeger de Veebrug daar zij naar het Groot Vleeshuis leidde. Gelinkt aan het Schuddeveestraatje wijst alles erop dat hier in de Middeleeuwen veemarkt werd gehouden. Later kreeg zij haar naam naar het gras dat op deze plaats werd ontlaad.

Uit archiefmateriaal blijkt dat de Grasbrug in de 11e eeuw een stenen boogbrug was. In 1489 werden er door Philippus Vander Stichele verscheidene huisjes op gebouwd. De Staten van Vlaanderen verving midden 18e eeuw alle bruggen door houten draaibruggen. Ook de Grasbrug in 1754. Tijdens de 19de eeuw werd overgeschakeld op metalen brugconstructies.

In juni 1976 heeft de stad Gent het huis De Swaene op de Koornlei aangekocht. Het huis werd in 1949 door de vereniging “Vrienden van Oud Gent” hersteld.

Graslei 10: Het graanstapelhuis

Het graanstapelhuis op de Graslei was niet “het” graanstapelhuis. Het was één van de honderden die Gent telde ten tijde van het stapelrecht, wat een privilège inhield voor Gent daar een deel van de scheepslading betreffende het graan mocht weerhouden worden om te koop te worden gesteld.

De niet zo voor de handliggende naam “Spijker” zou afgeleid zijn van het oud Latijns ” Spicarium” wat zoveel betekent als graanstapelhuis. Een feit is dat het Duits woord “Speicher” gebruikt wordt in de zin van zolder, vliering, pakhuis of korenschuur. De Spijker brandde helemaal uit in de nacht van 24 op 25 februari 1896. Enkel de gevel weerstond. De eigenaar wilde hem afbreken om er een modern woonhuis te zetten. In 1897 kocht de stad de resten aan om op de plaats een stadsgevangenis te bouwen. De plannen waren reeds gemaakt door de stadsarchitect Charles Van Rysselberghe. Gelukkig is geopteerd voor een volledige restauratie die in 1902 op prachtige wijze is gerealiseerd door architect August Van Assche.

Het graanstapelhuis vertoont kenmerken van de Romaanse stijl die verwijzen naar de 12e eeuw. Het werd vroeger aangeduid met de naam “Spiker” (stapelhuis), “Coerenstapelhuus”, “Tolhuus van den coeme” of “Steenen huus met de yseren leenen” (wegens de ijzeren leuning van de gaanderij op de verdieping). Vermoedelijk was het bij aanvang eigendom van de Gentse patriciërsfamilie Utenhove. Sinds einde 13de eeuw behoorde het toe aan de “Tafel van de Heilige Geest” van de Sint-Niklaaskerk die het verhuurde aan graanhandelaars. Vanaf de 16de eeuw waren er kantoren ingericht door de stapelheren die toezicht uitoefenden op toepassing van Gentse stapelrecht. Rond 1750 deed het dienst als vergaderplaats van de pijnders of graanlossers. Door de vervallen toestand was de benedenverdieping in de 19e eeuw niet meer tot nut.

Het stapelhuis heeft een grote puntgevel die trapsgewijs opgaat. Het dak is voorzien van platte pannen met een dubbele helling. Ook telt het gebouw 4 verdiepingen die inspringen t.o.v. het gelijkvloers. Wat toeliet een galerij te bouwen over dit laatste om de toegang tot de verdiepingen door middel van ladders te vergemakkelijken. De vensteropeningen van het gelijkvloers zijn rechthoekig. Deze van de eerste verdieping, ten getalle van 7, zijn rondbogig zonder enig versiersel en voorzien van ijzeren traliewerk. De vensters van de overige verdiepingen zijn eveneens rondbogig maar van een meer karakteristieke vorm. Het timpaan ervan is vol en wordt ondersteund door een zuiltje of centrale, zeshoekige pijler met dekplaat en basis die dient als steunvlak voor de luiken. De rondbogen hebben geen boogversieringen en worden gevormd door een eenvoudige samenvoeging van gewelfstenen. Deze rondbogen steken lichtjes uit. Het laatste venster rechts van de verdieping is geplaatst buiten de puntgevel. Erboven bevinden zich 2 kantelen. Aan de andere zijde wordt het gebouw afgesloten door een muur die reikt tot aan de derde verdieping en de toegang belet tot de galerij. De vensters steunen op een uitstekende muurlijst en ter hoogte van de vensterpost zijn ze eveneens verbonden door een muurlijst die herhaald wordt op de bovengelegen verdiepingen.

De Lintworm

Oud steen gelegen op de Koornlei, palend aan de St.-Michielsbrug. Het ondergedeelte rust nog steeds op de muren uit de 12e en 13e eeuw, maar de bakstenen trapgevel dateert uit een veel latere tijd (17e eeuw). In de 14de eeuw was dit huis de zetel van de nering der Biervoerders. Het heette toen de ” Keitkelder “, naar een soort bier dat toen verkocht werd. In 1662 was dit steen bekend onder de naam van ” Bier-Comptoir” omdat het kantoor van de ” Bier-assise ” er in ondergebracht was. In dit jaar kregen de eigenaars de toelating om de gevel te herstellen in de stijl van die tijd.

Er kwam een nieuwe trapgevel en een uithangbord “De Lintworm”. Deze naam kwam trouwens ook reeds voor op het Bier-Comptoir. In 1788 werd het hoekgebouw dat naast “De Lintworm” stond door de Stad Gent aangekocht om de straat te verbreden. Het is nochtans pas in de 19e eeuw dat dit gebouw met dat doel werd gesloopt. Rond de eeuwwisseling vinden wij het gebouw terug onder de vorm van het zeer banaal “Landbouwershuis”. In het begin van de 20e eeuw, toen er sprake van was een nieuwe stenen St.-Michielsbrug te bouwen, was het aanvankelijk de bedoeling dit gebouw af te breken omdat het gedeeltelijk op de plaats stond waar de nieuwe brug moest komen. Onze Commissie voor Monumenten en Stadsgezichten kon dit evenwel beletten. Meer nog, het Schepencollege stond erop dat dit gebouw gerestaureerd werd naar zijn 17de eeuws uitzicht. Deze restauratie werd rond 1908 op zeer gelukkige wijze uitgevoerd naar plannen van architect Joseph Dewaele.

De aanvankelijke bedoeling was het gebouw in te richten om er de hypotheekbewaring in onder te brengen, maar daar juist in deze periode de kerkfabriek van St.-Michiels behoefte had aan een nieuwe pastorij, kreeg het gebouw die bestemming. Het bleef de pastorij van St.-Michiels tot in 1958. In dat jaar kwam er een nieuwe pastoor die b1ijkbaar geen Gentse heemkundige was en meer voelde voor het modern comfort. Hij verkoos elders te gaan wonen. Het Stadsbestuur bes1oot het gebouw te verkopen en bepaalde een instelprijs van 1 miljoen frank (25000€). In 1961 was er sprake van dat de geklasseerde ” Lintworm ” zou aangekocht worden door een apothekersgilde die er, buiten burelen ook een klein apothekersmuseum zou in onderbrengen. Van dit plan kwam evenwel niets terecht en in 1963 kwamen er de kantoren van de Intercomrnunale van de E. 3.

Toen de beurtschepen nog aanlegden aan de Koornlei deden de kelders van het gebouw dienst als pakhuis. Men zal zich afvragen : ” Vanwaar die zonderlinge benaming “de Lintworm”? Wel, om dit te begrijpen moeten wij terugkeren naar de origine nl. naar de biervoerders. De Gentenaars noemden de bierwagens waarmee dit vervoer gebeurde ” lintwormen ” Waarom ? Het waren van die lange, smalle wagens waarop een hele reeks tonnen konden gelegd worden in de lengte. Met een beetje verbeeldingskracht kon men wel een zekere analogie ontwaren tussen deze achter elkaar gestapelde tonnen en de schakels van een lintworm. De bibliografie over de ” Lintworm ” is schaars, ofwel is ze goed verborgen.

Reaktie: De benaming voor” De Lintworm ” aan de’ Korenlei luidt in het Duits”zum Drache”, wellicht naar de gevelsteen op het huis dat een draak voorstelt. Ook in het Oud-Nederlands betekent “Lindeworm” draak! Gaat de naam van het huis niet eerder terug op de gevelsteen dan op de lange bierwagens?

——————–

Bron:

Ghendtsche Tydinghen 1972 – Vol1 N°3

Ghendtsche Tydinghen 1976 – Vol5 N°5

Ghendtsche Tydinghen 1983 – Vol12 N°1

Ghendtsche Tydinghen 1985 – Vol14 N°6

Ghendtsche Tydinghen 1994 – Vol23 N°1

https://inventaris.onroerenderfgoed.be

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.