Meerhemkanaal (1251)

Meerhem is een samenstelling van mere en ham. Mere in de betekenis van “moerassige waterplas” en ham als hoger gelegen stuk land in een moerassig gebied. Reeds in 1232 staat dit gebied vermeld als “in Meram”.

De wijk Meerhem is de omgeving van de Tolhuislaan. Doorheen deze wijk liep het Meerhemkanaal met een lengte van 1,219 km. De waterloop vormde vόόr het uitgraven van het Kanaal Gent-Terneuzen de verbinding tussen de Leie en de Sassevaart.

Het begin van de Tichelrei, aan de Lange Steenstraat en Grauwpoort, wordt in twee gesplitst door een gebouwtje waarvan de voorgevel uit 1714 dateert. In die gevel vindt men een steen met de afbeelding van 3 sleutels. Daar zit sedert 2013 het restaurant Staminee “De Stokerij”. In dit pand was destijds de brouwerij “Het Sleutelken” gevestigd, dat zijn water in minder vervuilde tijden uit de Schipgracht pompte. Tijdens “La Belle Epoque” was daar de brouwerij Van Goethem gevestigd. Het was één van de bijna 100 brouwerijen die Gent toen telde.

Het Meerhemkanaal maakte deel uit van de Schipgracht, in die tijd het enige kanaal dat in zee uitgaf en gegraven voor o.a. de turfaanvoer als brandstof voor particulier en industrieel gebruik (turf=gedroogd veen). Van de Leie bij het Sluizeken zo via ‘t  Meerhem richting Tolhuis aan de Muide. Daar vervolgde de Schipgracht zijn weg in rechte lijn naar Meulestede tot in Langerbrugge. Eens Langerbrugge voorbij veranderde de naamgeving in Burggravenstroom die door Kluizen, Ertvelde en Boechoute te Biervliet in zee uitmondde.

Aan ’t Sluizeken kon het Meerhemkanaal van de Leie gescheiden worden met een sluisval aan de Sluizekensbrug. De waterloop was aldaar vooral tot nut als afwateringskanaal voor het overtollige water uit de Leie maar ook om de omgeving met kleine schuitjes te voorzien van turf, toendertijd de belangrijkste brandstof voor de kleine man.

In het boek van Marc Boone en Gita Deneckere, “Gent van alle tijden”, 2010, p. 148 lezen we:

De ‘Gentse doem’ van ‘zwarte volksbuurten en enge stegen, water der kanalen dat roerloos-fluweelig is, het gore gelaat van de fabrieken, de rauwe norsheid van de mensen’ inspireerde kunstenaars van het “fin de siécle”, onder wie Maurice Maeterlinck en Karel Van de Woestijne, Theo Van Rysselberghe en Jules De Bruycker. De stad als stolp, waar de bourgeoisie beter ramen en deuren dichthield om de benauwende rook uit de fabrieksschoorstenen en de misère van de sloppenwijken buiten te houden.

Een verslag dd 21 juni 1866: Eén van de ongezondste wijken van onze stad is het deel begrensd door het Meerhem, het Berouw en de Geuzenberg, “Tout Ie terrain compris derrière le Meirhem est bas et marécageux; les habitations qu’on y trouve sont baties sur d’anciennes prairies. Mais ce qui rend ce quartier essentiellement insalubre c’est l’existence d’un fossé dont l’eau est stagnante et corrompue. Vu du pont de la rue du repentir ce fossé n’est qu’une mare infecte eau verte d’herbages en décomposition et répandant des vapeurs délétêres” zegt het verslag. Men zal de voornaamste watertak van de Berouwbrug in het Berouw tot aan de Meersbrug aan de Geuzenberg, waar deze waterloop in de Vogelenzanggracht (thans gedempt-Blaisantvest) vloeit behouden, maar de vertakkingen die achter de huizen van het Berouw, Geuzenberg en Meerhem lopen en zeer schadelijk zijn voor de bewoners, dempen.

De vijf eerste bruggen (plan: 1-5) verdwenen in 1904-1905 bij de demping van dit gedeelte van het Meerhemkanaal. Deze demping was nodig voor de gezondmaking van de wijk van het Meerhem. De opvulling gebeurde bij middel van aarde voortkomende van de aanleg van de nieuwe haveninrichting. De aannemer van al deze werken was Theo De Pauw. Hij vroeg hiervoor de som van 7.643 fr (190€). Tegelijk met de demping van het Meerhemkanaal werden verschillende nieuwe straten ontworpen waaronder de voor die tijd zeer brede Tolhuislaan.

Het tweede gedeelte van het Meerhemkanaal gelegen langs de Tichelrei tussen het Fratersplein en zijn uitmonding in de Leie, werd gedempt op het einde van 1947 en begin 1948. Daardoor verdwenen terug twee brugjes (plan: 7-8)

Het Meerhemkanaal langsheen de Tichelrei, le “Quai des Tuileries”, werd dikwijls als een apart deel van deze waterloop beschouwd. “Rei” betekent hier waterloop of stadsgracht. Deze schilderachtige “Tichelrei”, reeds in 1354 vermeld en refereert naar de aanvoer van (dak)tegels via het vaartje, zoals een tekst uit 1354 uitdrukkelijk vermeldt: “huus staende up der stede eerve beneden der houder (oude) Scabrugghe daer de tichelen staen”. Daktichels en bakstenen waren toen al een belangrijk importproduct uit het noordoosten van het graafschap samen met graan, stro, brandhout en latten. In de 17de eeuw waren granen en runderen belangrijke aanvoerartikels. Het haventje heette toen zeer toepasselijk de Zeeuwse Aard (‘aard’ betekent scheepsaanlegplaats).

De schuitjes die daarop voeren noemde men ‘Ertvelders’ en Durmeschepen of ‘seien’. Deze die de Moervaart deden, waren best bekend om hun aanvoer van turf dat gestoken werd in de moeren (de Zuid-Nederlandse benaming voor venen) in het noorden. Ze werden te Gent gelost aan de Torfbriel (Turfbriel: oudst bekende vermelding) die meestal geïdentificeerd wordt met het haventje dat nu als het Sluizeken bekend staat. De met kraan en weegtoestel uitgeruste los- en stapelplaatsen aan het Gentse uiteinde van de Schipgracht waren zeker tot in de jaren 1500 veel uitgestrekter dan dat. Ook de Tichelrei, de Lange Schipgracht, het Fratersplein en vermoedelijk ook de Groene Briel waren er in betrokken. De aanvoer uit het noorden werd overigens niet alleen daar gelost en gestapeld. Via zijtakken van de Schipgracht, oude Leiearmen meestal, werd ook turf ook aangevoerd en gestapeld aan bv. het Rendelgat bij de huidige Minnemeersbrug.

In de 19e eeuw was het Meerhemkanaal gedegradeerd tot een open riool en werd na de cholera-epidemie van 1866 (met 919 doden in het Meerhemkwartier) in diverse campagnes gedempt (1870-1902, 1902-1906, 1948, 1963).

In detail: Via de Leie (Oudburg) doorheen het huidige “Park Sluizeken” liep het kanaal verder naar de Tichelrei langsheen het Fratersplein, de Kartuizerlaan, het Meerhem en de Hugo Van Der Goesstraat richting Neuseplein om te eindigen aan de in 1484 gegraven verdedigingsgracht “Veste”, ook gekend als de Plezante Veste (rempart de Plaisance), Veste ter Voghelenzanghe achter de Groene Briel, of Blaisantvest. Het was een afleidingskanaal van de Lieve gedempt in 1964.

Ondanks het Meerhemkanaal tot in de 20ste eeuw als bevaarbare waterloop stond beschreven, nam de bevaarbaarheid reeds vanaf de 17e eeuw af. Daar het rioleringsnet van grote textielbedrijven op de gracht was “aangesloten” en mede door het sluikstorten van afval evolueerde deze waterloop naar een stinkend dichtgeslibd afvoerkanaal. Door de cholera-epidemie waarbij in 1866 in de wijk Meerhem 919 doden te betreuren vielen besloot het stadsbestuur het kanaal te dempen. Dit gebeurde in verschillende fasen met aanvang in 1870 om in 1963 volledig te zijn gedempt.

Een deel van het Meerhemkanaal behoort tot hetgeen men thans de “Binnenste Oude Leie” noemt, een ander deel tot hetgeen men thans de “Middens te Oude Leie” heet. Het Meerhemkanaal stond minstens drie maal in verbinding met de Leie:

1) Zoals hoger gezegd tussen de Oudburg en het Sluizeken

2) Langs de Plotersgracht of Leertouwersgracht (fossé des Corroyeurs), gegraven rond 867 en overwelfd in 1870/1872

3) Aan de Lieve langs het waterloopje van het vroegere Sint-Jakobsgodshuis, dat men de “Oude Leie”, de “H. Kerstvaart” of “cours d’eau St.-Sauveur” en ook het “Huidevetterken” heeft genoemd. Dit waterloopje stond in verbinding met de Leie, rechtover het Nieuwland, liep onder het Groenbrugje door, splitste zich om het Sint-Jakobsgodshuis te omarmen en vloeide opnieuw samen. Vervolgens ging een oostelijke arm noordwaarts andere waterloopjes vervoegen terwijl een westelijke arm onder de “Oude Muidebrug” de Sleepstraat dwarste ongeveer ter hoogte van de huidige gebouwen met als huisnummers 186/192 en 189/201 (vroeger was daar het einde van de Sleepstraat) en het Meerhemkanaal ging vervoegen aan de huidige Kartuizerlaan.

Behalve het hogervermelde Groenbrugje lagen nog twee Groenbrugjes over het Huydevetterken en gaven aldus toegang tot de Groenstraat. Aan het einde van de vroegere Sint-Jakobs Godshuisham lag de Sint-Jakobs Godshuisbrug (ter hoogte van het huidige Godshuishammeke nrs. 22/29).

Twee Huydevetterkensbruggen lagen in het vroegere Huydevetterken, dat liep vanaf de huidige Sleepstraat nr. 174 tot aan het Nieuwland. Bij het opnieuw blootleggen van een klein deel van het waterloopje vond men één van deze twee brugjes terug. Het ligt achter de rode bakstenen muur, zichtbaar vanaf het hek Sleepstraat nr. 174. De tweede Huydevetterkensbrug is te zoeken aan het Godshuishammeke, niet ver van het Nieuwland.

De monding van het Meerhemkanaal situeert zich aan het Tolhuisdok, op zijn beurt verbonden met het kanaal Gent-Terneuzen en het Verbindingskanaal richting Brugse Vaart. Daar lag toen de Tolbrug of Tolhuisbrug (≠huidige Tolhuisbrug) rond 1580 geconstrueerd. Hier eindigde immers de stad Gent. Het was een smal houten brugje dat in 1773 aan vernieuwing toe was. In 1808 maakte meester-timmerman C. Hellebaut er een draaibrug van. Toen het verbindingskanaal tot stand kwam werd op 12.12.1866 een nieuwe metalen draaibrug ingehuldigd. Die op haar beurt in 1901 als vaste draaibrug tot nut was over de nieuwe monding van het verbindingskanaal.

Tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 is de brug vernietigd geweest. Bij de heropbouw in 1949 waren de oude Tolhuisbrug (Tolbrug) en de Meerhembrug ook aan vernieuwing toe. Het dempen van de Blaisantvest als het Meerhemkanaal betekende het einde van bestaan voor deze 2 bruggen.

Door het College van Burgemeester en Schepenen van Gent, in zitting van 23.9.1963, werd besloten het laatste deel van het Meerhemkanaal aan het Neuseplein, tussen de Tolbrug, de Meerhembrug, de Tolpoort en de firma “Molens Van der Straeten” te dempen (G.R. 21.10.1963-GoedkeuringBestendige Deputatie 29 .11.1963). Het Koninklijk Besluit van 3.8.1964 tot onbevaarbaarverklaring van het gemeentelijk kanaal “Het Meerhem” verscheen in het Belgisch Staatsblad van 19.8.1964. De dempingswerken vingen aan op 20.2.1967 en waren voltooid op 31.3.1967.

Over het gehele watertraject lagen 7 bruggen:

1. Sluizekensbrug: Deze brug lag in de Oudburg en werd ook wel de nieuwe Schaapbrug genoemd. Op deze brug bevond zich vroeger de Waterpoort: het was een toren of kleine sterkte voorzien van een kleine sluis om het waterpeil te regelen. De eerste vermelding in de stadsrekeningen : “tussen der Ouder Scaefbrucgen en ter Nieuwer” anno 1324. De brug was in steen in 1523 en 1531. Ze werd in 1871 herbouwd als vaste metalen brug: 12 m lang, 7 m rijweg en twee voetpaden van elk 2,5 m. Aan de onderbreking van de huizenrij in de Oudburg kan men nog steeds zien waar de Schipgracht in de Leie uitmondde.

2. Sleutelkensbrug: Ze lag tussen de Korte en de Lange Steenstraat (Grauwpoort) en werd vroeger de oude Schaapbrug genoemd (1324, eerste vermelding). De naam is afkomstig van de nabijgelegen herberg en brouwerij “inden scleutelle over de scaepbrugghe”, die in de 18e eeuw nog vermeld stond. De referentie naar sleutels, zoals ook het plaatselijke uithangbord ‘de drie sleutels” laat vermoeden, ligt waarschijnlijk bij de aanwezigheid van 3 poorten nl. de Waterpoort, de Grauwpoort en de Schaappoort. Het sluiten van die poorten gebeurde elke avond. Het centrale pleintje kreeg de naam Tussenpoorten. De brug was gebouwd op vouten, dus in steen. Rond 1395 vernieuwd . De stenen brug werd vervangen door een vaste houten in 1836 en in 1871 door een metalen constructie. De maten van deze laatste waren: lengte 10m, breedte rijweg 6 m, twee voetpaden van elk 2 m. Voor de schepen was een doorvaarbreedte voorzien van 10,25 men een vrije hoogte van 1,51 m (het dossier berust in het stadsarchief van Gent).

3. Chartreuzenbrug of Fratersbrug: gelegen op de plaats van het Fratersplein. Naam ontleend aan het nabijgelegen klooster, vanaf 1584 de Chartreuze genoemd. Vanaf deze brug gelijdt de Rode Lijvekensstraat naar de Slijpstraat.

St.-Jan de Deo

a. Eerst waren het de Fraters Derde-Ordelingen van Sint-Franciscus die er vanaf 1456 tot 1584 werkzaam waren in de Ziekenverpleging.

b. Vervolgens slaagden de Kartuizers er in, na hun verjaging uit hun klooster op Rooigem dat door de Calvinisten verwoest werd, weer tot een kontemplatieve rijkdom te komen op het Meerhem. Zij bleven er tot 1794.

c. Na het verdwijnen van de Kartuizers werden de gebouwen door soldaten bezet die er een militair hospitaal onderbrachten.

d. In 1797 kocht Lieven Bauwens de gebouwen en richtte er eerst een leerlooierij in en twee jaar later zijn fameuse mechanische spinnerij. Hij deed dit met zijn uit Engeland gesmokkelde Mull Jenny.

e. In 1814 gingen de gebouwen over naar de gebroeders Bossaert. Het was ook in dat jaar dat “De Vrede van Gent” tussen Engeland en Amerika ondertekend werd.

f. Bij de dood van W. Bossaert kocht kanunnik De Decker een groot deel van de gewezen kartuizers voor zijn broeders van St.-Jan de Deo, een tak van de Broeders van Liefde die zich te die tijd vooral gingen toeleggen op verpleging aan huis.

g. In 1946 namen de Broeders Hiëronymieten de taak van de Broeders van Sint-Jan de Deo over. Zij verzekeren er tot op heden (1974) de kontinuïteit van een zeer belangrijk en nuttig dienstbetoon in de verzorging namelijk van psychisch gestoorden waarvan er een groot aantal, na verpleging, hun plaats in de maatschappij terug innemen.

4. Meester Gillisbrug: genoemd naar meester metselaar Gillis Coppins.

5. Halsbrekersbrug: gelegen aan herberg en brouwerij “In De Wan”, schuin tegenover de H. Kerstkerk. Over dit brugje kon je inderdaad je hals breken.

6. Platte Stegersbrug: ter hoogte van de Frans Rensstraat. Verkreeg haar naam naar de andere oever alwaar de loskaai en de watertrap, de platte steger of steiger, platter was dan ergens anders.

7. Zatebrug of Werfbrug: genoemd naar de nabijgelegen scheepstimmerwerf nabij de Justus de Harduwijnlaan (zate=scheepstimmerwerf).

Zoals reeds hoger gesteld noopten hygiënische problemen tot een drastische verandering van de Gentse waterhuishouding, want waterlopen waren een broeihaard van epidemieën zoals cholera. Hele wijken die volgestouwd waren met goedkope arbeiderswoningen of beluikhuisjes werden met de grond gelijkgemaakt. De vele waterlopen, grachten en openliggende kanaaltjes die deze wijken doorkruisten werden daarbij dichtgegooid, om bouwrijpe gronden voor nieuwe projecten te verkrijgen.

De Tichelrei is daar een typisch voorbeeld van. Zo kwam er zo plaats vrij voor links het project Campus Volkskliniek met Rusthuis Het Tempelhof en rechts de Service flats Tichelhof. Uit de Verhandeling van Lynn De Clercq, “Gentse Waterzooi. De geschiedenis van het dempen en overwelven van de waterlopen in Gent, 1866-1914”, UG, 2003, p. 90-92, blijkt ook dat dit dempen aanleiding gaf tot heel wat juridisch geredetwist over het eigendomsrecht op de gronden die ontstonden door deze dempingen.

De huidige Kartuizerlaan, eens het“Meerhemvaardeken”. Rechts (foto links) zien we wel nog het groene toegangshekken naar waar ooit het voornoemde beluik De Abdij stond. Dit beluik werd in 1984 gesloopt om een tweede ingang te vormen voor het gerenoveerde beluik ’t Heilig Hoveke. Tussen 1902 en 1906 werden een groot aantal ongezonde grachten gedempt of overwelfd.

In regel werden ze verkocht aan de oevereigenaars aan relatief lage prijzen. In 1896 werden de gronden voortkomend uit de demping van de waterloop gelegen tussen de Tichelrei en de Rodelijvekensstraat aan de aanpalende eigenaars verkocht voor 3 frank per vierkante meter. Hierbij werd verondersteld dat de nieuwe eigenaars elk jaar zouden opdraaien voor de kosten voor het onderhoud van de overwelfde riool, waarvan echter in de praktijk niets terecht kwam. Bij de demping van het Meerhemkanaal in 1906 werden de gronden datzelfde jaar nog verkocht aan de oevereigenaars aan een eenheidsprijs van 15 frank per vierkante meter. De stad gebruikte echter ook vaak de grond om straten te verbreden of om nieuwe straten aan te leggen.

—————

Bronnen :

Ghendtsche Tydinghen 1974 – Vol3 N°2

Ghendtsche Tydinghen 1987

Ghendtsche Tydinghen 1990 – Vol 19 N°3

Ghendtsche Tydinghen 1994 – Vol23 N°5

Ghendtsche Tydinghen 2004 – Vol33 N°5

Gentblogt: Albert sugg en de Belle Epoque in Gent: série 1 (64) Meerhem en Blaisantvest

GENT’S VROEGSTE GESCHIEDENIS – Maurits Gysseling