Justitiepaleis (oud)

Na 10 jaar noeste arbeid is op 15 juli 1846 een nieuw Paleis van Justitie in gebruik genomen naar een ontwerp van Louis Roelandt. Tussen 1797 en 1799 is hier het Recollettenklooster gesloopt. Het gebouw wordt gebruikt als gerechtshof, als koophandelsrechtbank en als handelsbeurs.

Recolletten of Franciscanen waren volgelingen van de Heilige Franciscus van Assisi, die ook bekend stonden als minderbroeders, frères mineurs of fraters minores, hun nederigheid uitdrukkend. Ook het Koophandelsplein hier was eertijds gekend als Recollettenplein.

In het gebouw kenmerkten de ruimtes zich door hun evenwichtige proporties. Buiten de majestueuze “Salle des Pas Perdus” gerekend die zo’n 57m lang was, 15m breed en 21m hoog. Door gebrek aan financiële middelen verwarmden kachels het gehele gebouw. Echter, het rookafvoersysteem liep dwars door plafond en dak. En er waren ook geen schoorstenen voorzien.

Buiten het gerechtsgebouw lezen we op 8 juli 1864 in de “De Gazette van Gent” dat het niet behoorlijk is dat op het grasperk voor het Justitiepaleis linnen wordt te bleken gelegd.

Op vrijdag 19 maart 1926, vroeg in de morgen, brak brand uit in de bibliotheek op de eerste verdieping. Het oude klooster veranderde al vlug in een vlammenzee waarbij het gerechtshof ’s avonds nog enkel uit 4 buitenmuren bestond. En wat bleek … dhr. Roelandt had een volledige centrale verwarming voorzien tussen de muren!

Het gerecht verhuisde naar de gebouwen van het gewezen Seminarie in de Biezekapelstraat, het Hof van Beroep werd ondergebracht in een gebouw aan de Korte Dagsteeg en de Parketten vonden een nieuw onderkomen in de Keizer Karelstraat.

In 1930 begonnen de werken aan een nieuw gerechtsgebouw onder het toeziend oog van architect M. De Vaere. Het aantal bruikbare ruimtes werd opgetrokken naar 100 en ook het fronton zou voorzien worden van een beeldengroep, die er pas in 1961 zal komen.

Het gebouw, waar nu nog enkel het Hof van Beroep huist, is in 1995 beschermd.

———————-

Bron:

Ghendtsche Tydinghen 1979 – Vol8 N°3

Ghendtsche Tydinghen januari-februari 2005 – 34e jaargang nr.1