Lieven Bauwensplein

Het Lieven Bauwensplein is net als het François Laurentplein aangelegd in 1884 na de overwelving van de Nederschelde tussen de Brabantdam en het Geeraard de Duivelsteen.

Lieven Bauwens (1769-1822), geboren te Gent aan het Edward Anseeleplein (Garenplaatsje), was een gekwiekst ondernemer-handelaar. Na zijn opleiding voor leerlooier in Engeland riskeerde hij in 1798 zijn leven om de Mule Jenny, de mechanische spinmolen van Samuël Crompton, het land uit te smokkelen en over te brengen naar het vasteland. Ook de vliegende schietspoel en de koperen drukcilinder samen met een stoommachine werden nog overgebracht.

Op 10 juli 1800 wordt Lieven Bauwens benoemd tot Maire (Burgemeester) van Gent. Maar zo een administratieve job was niet weggelegd voor een dynamische ondernemer en na 9 maanden geeft hij zijn ontslag.

Na zijn overlijden te Parijs op 17 maart 1822, alwaar hij begraven ligt op het kerkhof Père-Lachaise, werd het Frankrijkplein onmiddellijk tot Lieven Bauwensplein omgedoopt. Een eerste project om voor hem een standbeeld op te richten dateert uit 1837. Omwille van de benarde financiële situatie van de weduwe Bauwens werd echter van het plan afgezien en werden de via de inschrijvingslijst verzamelde gelden aan haar overgemaakt. Samengevat heeft Lieven Bauwens door het heimelijk uit Engeland binnensmokkelen van de Mule Jenny en het vevolgens oprichten van katoenspinnerijen in Gent het industrieel verleden van Gent een gelaat gegeven nl. het Manchester van het vasteland.

In 1865 nam de stad Gent het initiatief. Ze gaf aan de Gentse kunstenaar Petrus de Vigne-Quyo (1812-1877) opdracht om een levensgroot gipsen beeld van Lieven Banwens te vervaardigen. Omdat geen portret voorhanden was stond een van zijn familieleden model. Het beeld werd op het Lieven Bauwensplein geplaatst, recht tegenover de ingang van het Zuidstation. In 1884 werd besloten om dit beeld in brons te laten afgieten en op het huidig Lieven Bauwensplein (tussen de Vlaanderenstraat en de Reep) te plaatsen.

Zoals gebruikelijk opende een comité een inschrijvingslijst en de aldus ingezamelde fondsen werden aangevuld met een subsidie van de Staat (9 .000 frank) en van de Provincie (1.000 frank). De stad Gent bekostigde het voetstuk en droeg ook de totale kost van de inhuldigingsfeesten. Deze werden gecombineerd met de gemeentefeesten van dat jaar en met de viering van de vijftigste verjaardag van het Koninklijk Muziekconservatorium. Dit laatste werd belast met de muzikale omlijsting, terwijl de Maatschappij der Gedecoreerden van Nijverheid, Land- en Hovingbouw de rest van de organisatie op zich nam.

Op zondag 12 juli 1885 werden de feesten ingezet met een groots opgevatte lichtstoet. Daartoe werden 4.000 lantaarns aangekocht en, als ophefmakende nieuwigheid, ook 100 magnesiumtoortsen van de “Chemische Fabrik E. Schering” te Berlijn. Zevenenveertig maatschappijen werden aangeschreven om in de stoet mee op te stappen ; ze dienden op voorhand een plan of tekening van hun groep in te dienen. De optocht vertrok om 9 uur ’s avonds aan de Frère-Orbanlaan en trok langs de Kouter, Koornmarkt en Vrijdagmarkt terug naar het Zuidstation. In de staart van de stoet veroorzaakte een dronken soldaat van de groep tamboers en klaroenen te paard tumult onder de rijdieren waardoor kledij en instrumenten beschadigd werden. Met uitzondering van dit incident verliep alles vlekkeloos.

De officiële inhuldiging van het beeld had de volgende dag om 11 uur plaats, in aanwezigheid van talrijke prominenten en van de familieleden van Eau-wens diemen-soms na veel moeite-had kunnen opsporen. Een aantal textielarbeiders, die op het stadhuis gedecoreerd waren, droegen vijftien kransen met huldeteksten ter ere van Eauwens naar de plaats van de inhuldiging. Burgemeester Lippens bracht hulde aan de stichter van de Gentse katoenindustrie en onthulde het beeld. Na een uitvoering van de Brabançonne werd een speciaal voor deze gelegenheid geschreven Lieven Eauwenscantate gebracht door circa duizend uitvoerders. Het koor en orkest van het Koninklijk Muziek-conservatorium kreeg daartoe de medewerking van de scholen en de vele koorverenigingen van Gent en de fanfare van het eerste regiment jagers te paard.

Vervolgens legden de arbeiders van de enige door Lieven Bauwens opgerichte fabriek die nog bestond bloemen neer en beschreef Kimpe als woordvoerder van de Maatschappij der Gedecoreerden van Nijverheid, Land -en Hovingbouw wat de werklieden aan Bauwens verschuldigd waren. Een boekje met de biografie van de gevierde werd, zowel in het Nederlands als in het Frans, te koop aangeboden aan 10 centiem. ’s Avonds gaf Van Crombrugghe’s Genootschap in het groot theater een voorstelling van “Lieven Bauwens”, een muzikaal drama in drie bedrijven gecomponeerd door Heekers op woorden van Ondereet. Het Van Crombrugghe’s Genootschap had hiervoor een toelage van 2.300 frank gekregen van de stad en het gratis gebruik van de schouwburg.

Victor Lemaire vervaardigde een herdenkingsmedaille voor deze inhuldiging. De 200 koperen penningen en de stempels werden op 24 oktober 1885 geleverd. Alle verenigingen, gemeenteraadsleden en prominenten die deelnamen aan de festiviteiten ontvingen een exemplaar. In december 1885 werd aan de Maatschappij der Gedecoreerden van Nijverheid, Land-en Hovingbouw, die had ingestaan voor de organisatie van de feestelijkheden, een zilveren exemplaar aangeboden dat als dank voor hun diensten speciaal voor hen was geslagen.

In het verlengde van dit plein valt het Geeraard de Duivelsteen op, genoemd naar ridder Gheeraert Vilain die deze burcht in de 13e eeuw liet optrekken. Zijn bijnaam “de duivel” zou hij te danken hebben aan zijn donkere huidskleur en zwarte haren. In vele legendes wordt hij als een geweldenaar omschreven.

Dit “Steen” was strategisch goed gelegen aan de grens van de eerste stadsomwalling. In 1328 werd het eigendom van het Stad Gent. Het gebouw werd tot vele doeleinden gebruikt zoals een klooster, wapenarsenaal, ridderverblijf, opslagplaats, school, tuchthuis, stadsgevangenis, brandweerkazerne, … .

Eind 19e eeuw onderging het gebouw een grondige restauratie waarna in 1904 de rijksarchieven er werden in onder gebracht.

Lieven Bauwens – Biografie

Georgius-Johannes Bauwens, die uit een eerste huwelijk reeds een zoon had, hertrouwde in 1768 met Johanna-Theresia Van Peteghem. Deze stamde uit een rijke Gentse familie van wijnhandelaars, en met behulp van haar kapitaal kon Georgius-Johannes zijn leerlooierij sterk uitbreiden en tot grote bloei brengen.

Lieven, op 14 juni 1769 te Gent geboren, was het oudste kind uit dit tweede huwelijk. Later volgden nog vier zonen en acht dochters. In 1783 werd Lieven voor drie jaar naar Londen gestuurd om zich bij de firma Undershell & Fox te vervolmaken. Na de dood van Georgius-Johannes in 1789 zette zijn weduwe samen met Lieven en diens halfbroer Frans het bedrijf voort onder de naam Vv• G. J. Bauwens & Fils. Door het huwelijk van Lieven’s oudste zuster met Frans De Vos ontstonden nauwe relaties met Gentse spinnerijen en fabrikanten van katoenen weefsels. Het familiebedrijf begon ook te handelen in ruwe katoen en wol. Na de aansluiting bij Frankrijk collaboreerden ze ten volle met de nieuwe machthebbers en verdienden fortuinen aan legerbestellingen. Bovendien hadden ze, in tegenstelling tot de meeste anderen, geen gewetensproblemen met het verwerven van “zwart goed”. Deze door de Franse overheid genationaliseerde kerkelijke bezittingen waren door het gebrek aan kopers spotgoedkoop.

De firma Bauwens kocht in 1796 een oud kloostercomplex in het Franse Passy (bij de Porte de Chaillot) en het “Hotel Richelieu” te Parijs, in 1797 het gewezen Kartuizerklooster (de Chartreuse) aan de Meerhem te Gent en in 1798 het oude Norbertijnerklooster te Drongen. Bauwens’ moderne leerlooierij aan het Nieuwland voerde veel van haar produkten uit naar Engeland, waardoor Lieven regelmatig de overtocht moest maken. Omdat de oorlogstoestand die handelsrelaties steeds meer bemoeilijkten, werd in de neutrale havenstad Hamburg een handelskantoor opgericht als tussenschakel. Daar werd ook een belangrijke importhandel in koloniale waren opgezet.

Door zijn verblijven in Engeland was Bauwens goed op de hoogte van de technische evolutie aldaar. De “Mule Jenny”, een mechanisch continu katoenspintuig dat in 1780 door Samuel Crompton was ontwikkeld uit een in 1769 door Richard Arkwright uitgevonden voorloper, was in staat om honderd draden tegelijkertijd te vervaardigen. In combinatie met de nieuwe stoomaandrijving leidde dit in Engeland vanaf 1785 tot de mechanisatie van de katoenindustrie, die de oude manuele productie op het continent genadeloos wegconcurreerde. De Frans-Engelse oorlog bereikte een eerste hoogtepunt in 1797 en verhinderde goeddeels de invoer van de goedkope Engelse stoffen in Frankrijk.

Bauwens besefte dat het oversmokkelen van deze nieuwe techniek naar het continent hem onder deze omstandigheden fortuinen zou opleveren. Dat was echter niet zo eenvoudig, want op zulke industriële spionage stonden zware straffen. Via stromannen en onder valse voorwendsels kocht hij in 1797 een stoomketel bij Boulton & Watt te Soho en alle machines voor een moderne katoenweverij bij Adam Parkinson en James Hulse te Manchester. Een partij machineonderdelen, verborgen tussen een lading bier, olie en indigo, werd in februari 1798 door de Engelse douane onderschept zonder dat die de ware toedracht van de hele operatie te weten kwam. Andere zendingen kwamen in juni en juli wel ter bestemming.

Midden augustus begaf Bauwens zich naar Engeland om persoonlijk op de klandestiene overbrenging van de resterende machines toe te zien en om arbeiders en meestergasten te ronselen. Hij had deze Engelse werklieden nodig om de machines terug te monteren en te bedienen en ander werkvolk op te leiden. Hij bood hen mooie voorwaarden, en loog hen voor dat ze in Hamburg of Schotland zouden tewerkgesteld worden.

Kisten met onderdelen bereikten vanuit Gravesend, Yarmouth en Hastings zonder problemen het continent. Op 12 november zouden Bauwens zelf het merendeel van de arbeiders en een grote zending onderdelen de oversteek maken vanuit Gravesend. Een van de echtgenotes, die zich met haar vijf kinderen door haar man in de steek gelaten voelde, schopte echter een rel op de kade waardoor de smokkelwaar werd ontdekt en in beslag genomen. Door zich als toeschouwer voor te doen konden Lieven Bauwens en acht van de arbeiders ontsnappen en de volgende dag via Yarmouth naar Hamburg reizen. Van enkele later door Parkinson geleverde machines werden enkel de metalen onderdelen overgesmokkeld ; het houtwerk werd achtergelaten.

Bij hun aankomst in ‘Hamburg werden de overblijvende Engelse arbeiders op de hoogte gebracht van de werkelijke toedracht. Twee van hen weigerden verder mee te doen, en ofschoon Bauwens trachtte hen te doen gevangenzetten voor contractbreuk, slaagden ze er in om terug te keren naar Engeland. Daar lichtten ze de autoriteiten in over de hele operatie, met het aanslaan van de overblijvende machines en de veroordeling van een aantal medeplichtigen tot gevolg.

Bauwens en vijf arbeiders bereikten op 15 december 1798 Parijs. Hij had het ganse jaar 1799 nodig om in zijn looierij te Passy moeizaam de overgesmokkelde katoenfabriek te reconstrueren. Slechts een kleine helft van alle door hem aangekochte machines was immers ter bestemming geraakt en van zijn Mule Jennys beschikte hij enkel over de metalen gedeelten. Hj slaagde echter in zijn opzet en in de loop van 1800 konden de spintuigen in serie nagebouwd worden. Na Passy werden in januari 1801 in Gent mechanische ateliers ingericht in de Chartreuse en te Drongen. Op 21 juni 1801 bezocht de Eerste Consul de fabriek te Passy, waarvan de produkten op de industriële tentoonstelling van dat jaar bekroond werden met een gouden medaille.

Bauwens, een van de weinige Gentse notabelen die onvoorwaardelijk de kant van de nieuwe machthebbers had gekozen, werd na de annexatie bij Frankrijk tot burgemeester van Gent benoemd. Het was slechts voor kort, van 10 juli 1800 tot 28 april 1801. Officieel beletten zijn beroepsbezigheden hem om zich ten volle in te zetten voor de gemeenschap, maar in werkelijkheid kwam de autoritaire en wispelturige Lieven al gauw in botsing met de andere raadsleden. Begin 1801 kende Lieven zich de uitbating van de ateliers van de Gentse gevangenis toe. Hij liet er stoffen weven met de garens die in Drongen en aan de Meerhem vervaardigd werden. Door de schaarste aan arbeidskrachten was deze onderneming – die de beschikking had over meer dan 1000 goedkope arbeiders – aanvankelijk zeer lucratief. Na de industriële crisis van 1806 smolten deze voordelen echter weg, en in 1809 trok Lieven zich uit deze onderneming terug.

Na het overlijden van de moeder op 8 oktober 1802 verslechterden de reeds gespannen relaties tussen de broers en zusters Bauwens snel. Lieven en Frans scheidden hun zakelijke belangen, waarbij Lieven de fabrieken van Drongen, de gevangenis en de Chartreuse behield en Frans de fabriek te Passy. Lieven vestigde zich nu definitief in de vroegere priorij van de Chartreuse. Hij liet er o. m. een spiegelzaal inrichten naar het voorbeeld van Versailles.

In juli 1803 bracht Napoleon met zijn vrouw Joséphine een bezoek aan Gent, waarbij hij ook de Chartreuse aandeed. Lieven Bauwens was zeer vereerd en liet door de Franse ingenieur Dieudonné een hangende trap bouwen in empirestijl en met Egyptische sfinksen aan de uiteinden van de leuningen. Voor de gelegenheid werd op het stadhuis een industriële tentoonstelling georganiseerd die op 15 juli werd geopend en door Napoleon werd bezocht. Bauwens won de grote gouden medaille in de afdeling textielindustrie. De gemeenteraad van Gent kende hem op 15 februari 1805 nog een andere gouden medaille toe als blijk van dankbaarheid voor de nieuwe ondernemingen waarmee hij de stad had verrijkt. Deze door Tiberghien gegraveerde penning werd hem op 21 mei overhandigd en bevindt zich nog steeds in de familie.

Ondanks een voorbijgaande crisis in 1806 bevond Bauwens zich tussen 1801 en 1808 op het hoogtepunt van zijn voorspoed. In 1802 waren 220 arbeiders actief in de katoenindustrie, in 1804 waren er dat 3.000 geworden en in 1810 zelfs 10.000.

Zijn privé-leven was echter niet onbesproken. Sophie was zijn lievelingszuster en deze genegenheid leidde in 1800 tot een zwangerschap. Om de zaak netjes te houden trouwde ze met één van de meestergasten nl. Bernard De Pauw. Deze kreeg daarvoor een directeurspost in het bedrijf en werd van dan af de rechterhand van Lieven Bauwens.

Bernard kwam op 27 April 1837 te overlijden. Hij richtte ondermeer in 1804, samen met Lieven Bauwens, een kaardenfabriek op in de Lange Violettenstraat. De zaak zou later gekend worden als Prayon-De Pauw. Hij was ook Directeur van de gevangenis.

Het zoontje van Sophie werd, naar Lievens grote voorbeeld, Napoleon genoemd. Bij de inschrijving van het kind maakte de toenmalige prefect Faipoult een toespeling op het vaderschap van de burgemeester door een toast uit te brengen: “Au père, au maire, et au parrain”.

In 1803 ging Lieven ongehuwd samenwonen met de jeugdige Mary Kenyon die toen al een vroeggestorven kind van een “onbekende” vader had gehad. In 1810 bezocht Napoleon opnieuw Gent met zijn tweede vrouw Marie-Louise. Lieven huwde voor deze gelegenheid met Mary Kenyon, met wie hij toen reeds drie kinderen had, en ontving van Napoleon het Grootkruis van Ridder van het Erelegioen. Toen was Bauwens’ achteruitgang echter al begonnen. Hij was bovendien zeer kwetsbaar, want hij had zijn winsten steeds in de uitbreiding van zijn fabrieken geïnvesteerd, zonder reserves op te bouwen.

Toen Napoleon het Continentaal stelsel instelde en de invoer van grondstoffen vanuit Engeland afsloot, zat Bauwens onmiddellijk in de moeilijkheden. Op 11 februari 1811 kon hij van de Franse regering een lening van 300.000 frank loskrijgen “pour donner ce fabricant les moyens de continuer l’ exploitation de ces manufactures à Gand et à Tronchiennes et de foumir du travail au grand nombre d’ ouvriers qui y sont employés”. Hij ontsloeg desalniettemin begin mei alle arbeiders en sloot tijdelijk zijn bedrijven. Begin 1812 heropende de Chartreusefabriek en konden 200 arbeiders opnieuw aan het werk, maar wel aan een loon dat 20 % lager was dan voorheen.

De crisis bleef echter voortduren en bovendien voelde Banwens zich als notoir collaborateur na de Franse nederlagen in Gent niet meer veilig. Begin 1814 trok hij naar Parijs, maar daar vorderde de overheid de terugbetaling van de lening die ze had toegestaan. Bauwens diende daartoe de spinnerij van de Chartreuse te verkopen aan G. Bossaert. Toen zijn andere schuldeisers hem wilden doen aanhouden vluchtte hij terug naar Parijs waarna zijn eigendommen werden aangeslagen. Na Waterloo bezat hij enkel nog de fabriek van Drongen die hij met behulp van zware leningen bij Frans De Vos opnieuw opstartte. Alhoewel hij al geruime tijd last had van hartklachten probeerde hij in Parijs samen met baron Didelot de la Ferté nog een fabriek voor de verwerking van vlokzijde op poten te zetten, maar zijn overlijden te Parijs op 17 maart 1822 verhinderde dit.

Hij werd er begraven op het kerkhof van Père-Lachaise en liet zijn weduwe achter met zware schulden. De fabriek van Drongen ging over in handen van De Vos.

8 februari 1844: Wij lezen in “VIaemsch België”: “Het oud klooster der Chartreuzen, gewezene fabriek van den vermaerden Lieven Bauwens, is dezer dagen verkocht. De eene helft van dit klooster is door de Broeders van Liefde, gezegd van Joannes a Deo, gekocht en het overige deel door M. Malfait. Dit laetste zal tot fabriek worden ingerigt”.

Herdenking van de honderdste verjaardag van het overlijden van Lieven Bauwens

De honderste verjaardag van het overlijden van Lieven Bauwens werd herdacht op zondag 23 juli 1922, de sluitingsdag van de gemeentefeesten. Een bijzondere commissie, bestaande uit afgevaardigden van de Handelskamer, de Dekenbond en de patronale en werkerssyndikaten van de weefnijverheid, was met de organisatie van de plechtigheid belast. In de nabijheid van het standbeeld van Bauwens waren twee tribunes geplaatst: de ene voor de kleinneven en achterkleinneven van de gevierde en de andere voor de prominenten, waaronder gouverneur de Kerchove de Denterghem, burgemeester A. Van der Stegen, bisschop Seghers en vertegenwoordigers van de Kamer en het leger.

Om 9.30h namen de gasten plaats op de tribunes en belichtte Emiel Mees, gewezen voorzitter van de Kamer van Koophandel en vervanger van de Smet de Naeyer, de betekenis van Bauwens voor de Gentse katoennijverheid. Nadien schetste burgemeester Van der Stegen diens verdiensten voor de stad, o. m. als burgervader. De plechtigheid werd opgeluisterd door Thebaanse trompetten die van op het Gerard Duivelsteen gekende Vlaamse liederen ten gehore brachten.

De aanwezige familieleden en prominenten ontvingen een herinneringsmedaille, die ditmaal tijdens de plechtigheid zelf werd overhandigd. Het was slechts een klein hangertje met een reeds lang bestaande standaardvoorzijde.

De Stroppentocht van 1979

In het begin van de jaren zeventig werd te Gent de Gilde van de Stroppendragers opgericht. Ieder jaar, tijdens de Gentse feesten, hernemen ze de boetetocht welke de Gentenaars door Keizer Karel werd opgelegd, compleet met boetekleed, strop en op blote voeten. De eerste twaalf jaren van hun bestaan werd door de gilde een penning uitgegeven waarop telkens een ander Gents standbeeld werd afgebeeld. In 1979 was het beeld van Lieven Bauwens aan de beurt.

——————–

Bron:

Ghendtsche Tydinghen 1995 – Vol24 N°5

Ghendtsche Tydinghen 1997 – Vol26 N°4

Ghendtsche Tydinghen 2000 – Vol 29 N°1

Ghendtsche Tydinghen 2002 – Vol31 N°6

Ghendtsche Tydinghen 2004 – Vol 33 N°6

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.