Tussen ’t Pas

Tussen ’t Pas, een stemmig straatje in de wijk Nieuwpoort met een toch wel raar klinkende naam. Bij “tussen” verwacht je immers een ruimte, of wat dan ook, tussen twee dingen of begrippen. Maar neen: hier enkel‘t Pas’, alsof er maar één was. In dit artikeltje zien we dat de naam heel logisch ontstond toen er daar twee “passen” waren.

Het woord “pas” is regelmatig terug te vinden in Nederlandse plaatsnamen. Het betekent een met kaphout beplante waterzieke zone, afgeleid van het Latijnse pascuum (passus) in de betekenis van doorgang. In het middeleeuws Gent, met zijn vele waterzieke zones en vooral vanwege watermoeilijke doorgangen, was er echter slechts één pas te vinden.

Maurits Gysseling neemt voor het Gentse Pas de tweede betekenis aan en hij identificeerde de vroege vermeldingen ‘an de Passebrucge’ (1325) verwijzend naar een brugje over de St.-Jansgracht deel uitmakend van de “Binnenste Oude Leie”. Het zou later de Krombrug worden genoemd. Vandaag gelegen over de Volmolenstraat (was vroeger voor een deel St.-Jansgracht) wanneer je van de Kalvermarkt richting “Tussen ‘ t pas” wandelt.

Tussen ’t Pas was vroeger gekend als de Rode Torenstraat. Deze straat strekte zich uit van de Kalvermarkt tot aan de St.-Joriskaai. Het leidde naar de Pasbrug die samen met de Rode Torenbrug de Leie overspande.

De Leie die toen aan de Pasbrug gekomen in twee werd gesplitst. De Pasbrug is de stenen brug waar het water van de Leie door een balksluis, “’t Pas”, kan worden opgehouden. De Rode Torenbrug was een houten draaibrug. De vermelding in de stadsrekeningen van “brug ‘over t Pas” in 1330-1331 en 1332-1333 wijst erop dat niet de brug zelf “Pas” genoemd werd. Maar wat dan wel?

Die verklaring moeten we zoeken in een doorgang, feitelijk een kleine lus, een oude Leiearm, gedeeltelijk de Slekke genoemd, die door de schippers gebruikt werd om de Grote Spei (stuw) bij de Leie-Scheldemonding te vermijden. Wanneer de grote stuw met balken (in Gent ‘planken’ genoemd) gesloten was, konden ze via het Paddegat doorheen de kleine lus het Papengat bereiken, waar een veel gemakkelijk te hanteren hangdeur hen doorgang verleende. Dezelfde passage (let op het woord) kon ook in omgekeerde richting gebruikt worden.

De ‘gateknechten’ die de stuwbalken neerlieten en ophaalden in de ‘gaten’ en hetzelfde met de hangdeur van de Slekke deden, die met andere woorden de stuwen in- en uitlieten, werden in de jaren 1700 passeniers genoemd. Deze mannen, 24 in getal, allen wonend in het Nieuwpoortje en omgeving, maakten inderdaad de doorgang (passage) mogelijk van de schepen. Dit nogal “complex” gebeuren speelde zich ook af op andere plaatsen in de stad en was sterk gereglementeerd.

Nauwe doorgangen, te land en te water, stonden bekend als “gaten”. In tegenstelling tot het unieke Pas, wemelt het in de Gentse plaatsaanduidingen van “Gaten”. Ze komen eerder zlden voor op het droge, en wel in de betekenis van doorgangen, vooral naar weiden. Beter gekend en veel talrijker waren de gaten onder bruggen voorzien van stuwen. Denk aan de Braamgaten, het Paddegat en de Vijfwindgaten. De natuurstenen bruggewelven verleenden deze constructies, die aan geweldige druk moesten weerstaan, de nodige stevigheid. Daardoor kregen ze effectief het uitzicht van gaten.

Met nog een ander stuwgatencomplex, dat van de Rode Torenbrug, komen we dicht in de buurt van het hierboven beschreven Pas. Hoewel de constructie voorzien was van stuwgaten en het woord gat in de ermee verband houdende naamgeving in de Gentse geschriften gebruikt werd, promoveerde het daar nooit tot onderdeel van een plaatsnaam. De vroegst bekende benaming was Sint-Baafsspei (1323 en 1324) en de meest waarschijnlijke datering van deze stuwbrug is kort na 1213. Dat is het jaar waarin de stad tegenover het grafelijk bestuur de verplichting aanging in die zone een nieuwe verdediging aan te leggen in ruil voor het bezit van nagenoeg alle gronden in de latere Waterwijk en het Nieuwpoortje.

De ‘Nieuwe Leie’ was waarschijnlijk het hoofdbestanddeel van die verdediging, functie waar de naam Oudevest nog naar verwijst. Ter wille van de waterbeheersing en de scheepvaart werd dit nieuwe waterwerk vermoedelijk meteen voorzien van een grote stuw. Groot en belangrijk was die inderdaad: ze moest zo goed als alle Gents Leie- en Scheldewater beheersen. Het waterbouwwerk stond niet voor niets ook bekend als de Grote Spei of “den Groeten Speye” (1329). Om de doorgang van schepen te vergemakkelijken werd deze moeilijk hanteerbare constructie wellicht meteen al aangevuld met de hierboven geschetste alternatieve ‘kleine’ passage.

Na de afbraak van de toren op bevel van Karel V en vooral na een grote ombouw in 1752 werd dit het “Groot Pas”. De stuw werd verlengd met een draaibrug over het toen gegraven Visserijkanaal. Indien deze stuw al niet de grootste was in Gent, dan was ze voor de scheepvaart zonder meer de belangrijkste. De constructie werd toen meestal aangeduid als Passtuw en de brug in het verlengde daarvan over het toen nieuw gegraven Visserijkanaal werd nu de Pasbrug. De benaming ‘Pas’ kwam hier dus pas laat op de proppen, veel later dan bij de kleine constructie midden in het Nieuwpoortje.

Klein en Groot Pas maken “Tussen ‘t Pas”. Nu wordt het duidelijk. De eigenaardige benaming Tussen ‘t Pas, een in 1942 opgeviste oude volksnaam, is te verklaren doordat naast dit Groot Pas, de hoger vermelde kleine constructie over de Sint-Jansgracht bleef bestaan. Dit “oude” Pas werd mettertijd “Klein Pas” genoemd. Tussen deze grote en de kleine Pasbrug had je dus … “Tussen Pas(sen)”. De (correcte) meervoudsvorm werd echter niet gebruikt. Officieel heet het er nogal misleidend “Tussen ‘t Pas”. 

De naam Kombrug, die de kleine Pasbrug later toebedeeld kreeg, is mogelijk te verklaren doordat deze constructie een waterlus overspande die samen met de grote rivier een komvormig gebiedje omsloot. Wanneer die benaming voor het eerst gebruikt werd, is ons niet bekend (10). Het lijkt waarschijnlijk dat men ‘Kombrug’ begon te prefereren nadat de benaming “Pas” van de kleine naar de grote brug overgegaan was. Dat was een constructie waarmee het ‘kleintje’ zich niet kon meten. Het zat ingeklemd tussen huizen in relatief nauwe straatjes en dichte bebouwing. Voor wie niet in de buurt woonde was het zelfs moeilijk te vinden, terwijl de grote vanop de naast gelegen Sint-Jorisbrug voor elke passant mooi zichtbaar was. Sprak iemand van de Pasbrug, dan bedoelde die toch zeker de grote, alom gekende …

Even voor de Leie zich met de Schelde verenigde kon dus het debiet van het Leiewater geregeld worden door de stuw van het Pas of de Rode Torenstuw. De Rode Toren was ook gekend als de toren van de vadermoordenaars. Hij was in rode baksteen opgetrokken. In de 13e eeuw, 1270 om precies te zijn, stond de toren beschreven als “le novele tour sour le spoie”. In 1578 werd de toren afgebroken. Door de aanleg van de St.-Jorisbrug waren na 24 maart 1909 de bruggen niet meer tot nut en was afbraak een feit. Temeer de grond tussen beide bruggen diende afgegraven te worden.

———

Ghendtsche Tydinghen 2018 jg 47 n°2 (Frank Gelaude en Peter Steurbaut – Dienst Stadsarcheologie Gent)