St.-Michielskerk

Slechts weinigen die nu over het Sint-Michielsplein lopen realiseren dat ze zich op het gewezen Sint-Michielskerkhof bevinden. Jozef II vaardigde op 18 juli 1784 een verbod uit nog langer te begraven in kerken en kapellen, verbod dat hij op 1 november daaropvolgend uitbreidde tot het begraven binnen de steden. Op I december 1784 kocht de stad een perceel grond van 599 roeden aan, op een niet nader bepaalde plaats, voor het aanleggen van een nieuw kerkhof voor de parochianen van Sint-Niklaas, Sint-Michiels en Sint-Martinus-Ekkergem. De kostprijs bedroeg 2265 gulden. Aangezien de lijken niet bij dag mochten vervoerd worden, bracht men ze onder in het lijkhuis van de kerk om ze dan ’s avonds met een lijkwagen naar het nieuw kerkhof te vervoeren. De Sint-Michielskerk bezat langs weerszijden van het hoofdportaal een lijkkamer.

460

Reeds in 1785 is er sprake van een zelfgemaakte weg over het oud kerkhof tussen de Sint-Michielsbrug en de Toren- of Turrepoortbrug. De kerkfabriek verkocht op 18 november 1785 het kerkhof aan de stad voor 200 ponden groten. Een clausule opgenomen in de verkoopsvoorwaarden vermeldt dat het gewezen kerkhof ten eeuwige dage onbebouwd moet blijven tot “sieraad van de kerk en tot den publieken dienst”. Ongetwijfeld zal ook het respect voor de doden bijgedragen hebben tot het nemen van dit besluit.

In 1440 startte de werken aan de St.-Michielskerk. Het is opgetrokken met behoud van het vroeggotische koor van de kapel.

In een charter van 1105 bevestigt Balderik, bisschop van Doornik-Noyon aan de Sint-Baafsabdij het patronaatschap over de kerk van St.-Martinus-Ekkergem en de daarvan afhankelijke Sint-MichielskapeL Hieruit blijkt dus dat er nog geen sprake was van een kerk maar wel van een kapel. Deze werd bediend door de geestelijken van Sint-Martinus. De drie priesters moesten in de 12de eeuw om beurten in de nabijheid van Ekkergemkerk of in de buurt van de Sint-Miebielskapel wonen. In het begin van de 14de eeuw voegde men er zelfs een vierde bedienaar aan toe.

Reeds tussen 1156 en 1169 greep de ontvoogding plaats die voor felle en jarenlange discussie zorgde tussen de twee parochies. De Gentse bisschop Cornelius J ansenius stelde daaraan een einde in 1561 door beide parochies een afzonderlijk statuut te verlenen. In de jaren 1120 en 1125 en nog eens in 1212 werd de kerk door brand geteisterd. Telkens werd ze vlug heropgebouwd en waarschijnlijk maakte men van de gelegenheid gebruik om ze merkelijk te vergroten. In een document uit 1244, dat handelt over de oprichting van een kapelanie, vermeldt mem herhaaldelijk “ecclesia sancti Michaëlis Gandavensi”. Op dat ogenblik is er dus reeds sprake van een kerk. 

In het begin van de 15de eeuw drongen herstellingswerken zich op aan de toren. Een overeenkomst uit 1413-1414, tussen Jacoppe de Wielmakere, ontvanger van de Sint-Michielskerk, en Arent vanden Sande, steenkoper uit Vilvoorde, spreekt over een levering van goede “Dieleghemsche steeoen wel ende reiolie gehauwen” die zullen gebruikt worden bij de herstelling van de toren.

GentStmichielskerkoudZiewordantoondeloofFb2
St.-Michielskerk – Antoon de Loof – Fb

Al vlug zag men echter in dat de herstellingen slechts lapmiddelen waren en dat bovendien het gebouw zelf te klein werd om aan de stijgende behoeften te voldoen. Men besloot dan maar een nieuwe grotere kerk te bouwen. Uit de stadsrekeningen van 1440-1441 blijkt dat ter gelegenheid van de “eerste steenlegging” van de nieuwe kerk men voor de werklieden een “tractement” betaalde. Naast een aantal notabelen en schepenen uit Gent was ook de hoogbaljuw van Vlaanderen Colaard van Commere bij die gelegenheid aanwezig.

Eerst bouwde men de west-of torenzijde, waaraan men nog bezig was in 1480. In 1508 werden de kruispijlers opgetrokken en het groot venster in de kruisbeuk gestoken. Tussen 1508 en 1510 voltooide men het transept en in 1512 werden (op kosten van Lieven van Pottelsberghe) hergoten zes klokken in de dakruiter opgehangen. Wegens gebrek aan de nodige fondsen moest men in 1526-1527 een grote loterij organiseren. Het schip van de kerk stond in 1528 onder dak maar aan de kapellen werd er toen nog naarstig gewerkt. Alhoewel de westgevel reeds voltooid was in 1514 vermelden de rekeningen van 1539 de aankoop van Vlaamse arduin die zal verwerkt worden in het groot portaal.

De toren, waarschijnlijk het meest problematische deel van de ganse Sint-Michielskerk, was in 1550 nog maar een huis hoog opgetrokken. In 1566 waren amper twee geledingen afgewerkt. Om de werken te kunnen bekostigen organiseerde men geldinzamelingen onder de parochianen, zoals in 1506, en verleende de stad subsidies, o.a.20 pond groten in 1516. De werken aan de kerk waren midden de 16de eeuw toch zo ver afgeraakt dat er reeds een aantal kunstwerken in ondergebracht konden worden.

Dit blijkt althans uit de verslagen over de beeldenstorm in 1566. Toen echter tijdens het “Wonderjaar” de onlusten uitbraken had men een aantal kunstwerken uit voorzorgsmaatregel een veilig onderkomen bezorgd.

GentTonyWaelput2
St.-Michielskerk – T. Waelput (Fb)

Toch had men niet alle waardevolle kunstwerken tijdig kunnen verbergen. Zo vermeldt van Vaernewijck de beschadiging van een “albasten tafelkin met daerboven een Oordeel” dat meester Charles Claeysone had doen maken en het beeld van “Sint-Jacob geplaatst op de preekstoel” bekostigd door raadsheer Jacob Hesslins. Het groot orgel in de zuidelijke kruisbeuk, destijds geschonken door Lieven van Pottelsberghe, kon op het laatste nippertje gered worden door het moedig optreden van een toeschouwer. Hij kon de beeldenstormers er van overtuigen het instrument ongeschonden te laten op belofte van een uitgebreid drinkgelag. Daardoor bleven ook de geschilderde glasramen van de kerk ongedeerd.

Tijdens de tweede beeldenstorm in 1578 bleef er weinig ongeschonden. De kerk kreeg zelfs een derde inval te verduren op 10 maart 1597. Toen vernielden de geuzen de ondertussen nieuw geplaatste meubelen en kunstwerken en stalen ze het ijzer en het lood van de daken.

Waarschijnlijk was het Romaanse koor van de oude kerk nog in gebruik om er de kerkdiensten in te laten doorgaan tijdens het optrekken van de nieuwe delen. Zeker is dat tijdens de Calvinistische Republiek in 1579 het oude koor met de grond gelijk gemaakt werd om een rechte straatverbinding tot stand te brengen tussen Onderbergen en de Koornlei. Zodoende zag men zich verplicht in 1585-1586 houten schutsels te plaatsen om het nieuwe deel van de kerk af te sluiten. Het zou echter nog tot 1623-1624 duren vooraleer aan de bouw van het nieuwe koor zou begonnen worden met gebruik van de oude fundamenten. De aartshertogen Albrecht en Isabella legden de eerste steen in 1623.

Capture d’écran (3195)

Om de financiële lasten te helpen delgen verkreeg het Gentse stadsbestuur op 21 maart 1619 van de hogere overheid de toelating een belasting van één stuiver te heffen op elke zak verkocht graan. De toelating was geldig voor drie jaar en moest steeds hernieuwd worden. De laatste keer dat dit gebeurde was in 1672. Door de trage vordering van de werken was het niet uitgesloten dat ondertussen de oorspronkelijke plannen verloren gingen en men zijn toevlucht zocht tot improvisatie. Toen in 1630 de grote koorvensters moesten geplaatst worden kregen de bouwmeesters Tobias d’Oosterlinck, Lieven Pien en Lieven Sanders opdracht de vensters van de kathedraal, Sint-Jacobs en andere kerken op te meten om daarvan een vergelijkende studie te maken. De ganse kerk stond in het droge in 1650 maar ondertussen bleven de werken aan de toren stilliggen. Tussen 1658 en 1672 werd aan de toren verder gebouwd zonder dat men concrete plannen had voor de afwerking ervan. Er waren nochtans een viertal plannen opgemaakt geweest maar geen enkel voldeed. Het geldduiveltje kwam nog maar eens stokken in de wielen steken. De stad weigerde verder haar medewerking. Meer nog, de reeds ingezamelde gelden voor de toren kregen een andere bestemming.

GentStmichielsbrugStmichielskerkverlichtGinoMissiantFb
St.+Niklaaskerk – Gino Missiant 2015 – Fb

De in 1655 opgerichte gilde van de Taverniers of herbergiers hadden een kapel in de St.-Michielskerk. Hun patroonheilige was de H. Zacheus. Wie in Gent geen lid was van de gilde mocht ook geen bier tappen. Het verbruik van bier in de middeleeuwen lag boven 1L per persoon per dag!

In een ultieme poging het stadsbestuur aan te porren tot de betaling van de achterstallige 46.500 gulden voor de afwerking, richtte de kerkraad op 19 juni 1743 een verzoekschrift aan gouverneur Graaf van Coningsegg. Dit bleef zonder resultaat. Ten einde raad openden ze dan maar in 1745 een intekening voor het verhogen van de toren met één verdieping van 55 voet. Ook dit initiatief kende geen succes. Toen op het einde van de 18de eeuw de toren begon af te brokkelen met gevaar voor de voorbijgangers, moest het stadsbestuur noodgedwongen een hulpgeld van 24.000 gulden ter beschikking stellen voor dringende herstellingen.

GentSt-MichielskerkLVerstuyft
St.-Michielskerk – L. Verstuyft

De Franse bezetter verbood op 30 augustus 1798 de kerkelijke diensten. De Sint-Michielskerk werd omgevormd tot “Tempel der Wet” of “Decadaire Tempel” om daarin de eredienst van de godin van de rede te houden. Daartoe verwijderde men de godsdienstige symbolen. Naast het slopen van de portalen, de elf kapellen van de benedenkerk en de tien van de bovenkerk, het hoogaltaar, het koorgestoelte, de preek- en biechtstoelen, haalden de Fransen bovendien de beelden van de twaalf apostelen in de middenbeuk van hun voetstuk. De schade werd later op 114.607 gulden geraamd. Krachtens het concordaat tussen de paus en Napoleon werd de kerk op 12 april – 22 germinal an I 0 – terug gegeven aan de eredienst. Het zou echter nog tot 5 juni duren vooraleer de eerste godsdienstoefeningen er in doorgingen, vijf dagen later gevolgd door de verkoop van de objecten die voor de nieuwe ritus hadden gediend.

Op 14 november 1852 is de Sint-Michielskerk verrijkt met een nieuw altaar. Een werk van de Gentse beeldhouwer J. Franck die ook reeds de preekstoel gebeiteld had. Na de inval van de Fransen in 1794 werd de Sint-Michielskerk beroofd van haar beelden en schilderijen en gebruikt als tempel van de rede, daarna als tempel van de wet en nog wat later als tempel van de Théophilantropen. Nadat de kerk opnieuw ter beschikking was gesteld voor de katholieke eredienst zijn er voor 72.406 fr. (1795€) herstellingswerken uitgevoerd.

24 juni 1858. De kerkfabriek van de Sint-Michielskerk had sedert enkele jaren het plan een nieuw hoofdaltaar te laten bouwen. De architekt Minard werd met het ontwerp belast. Het altaar is in gebloemde gotische stijl; het onderste gedeelte is in wit marmer, de vijf treden zijn in rood marmer. De 32 beelden die het áltaar versieren zijn het werk van de Antwerpse kunstenaar Van Arendonck. Gisteren is men begonnen het altaar te plaatsen.

Met de wereldtentoonstelling van 1913 in het vooruitzicht werden heel wat historische gebouwen gerestaureerd. In het kader hiervan tekende Vatentin Vaerwyck een nieuw torenontwerp. Daarbij liet hij zich inspireren door het ontwerp van Lieven Cruyl. Nu was het echter de oorlog die roet in het eten kwam gooien tot in 1918 het plan weer te berde kwam. Vaerwyck paste het weliswaar wat aan. Zo voorzag hij een torenbekroning onder de vorm van een verguld Sint-Michielsbeeld. Om zijn plan wat geloofwaardiger te maken en onder invloed van de naoorlogse euforische toestanden noemde hij zijn toren een “Monument van de Zegepraal”. Maar de toren … die bleef steken op 23,67 meter.

De toren bleef zonder dak tot 1824 zodat men bij regenweer kletsnat werd in het portaal. Voor het eerste klokkegelui moest nog gewacht worden tot 17 november 1825, na het bouwen van een nieuwe klokkenstoel. Om de schade te herstellen, aangericht door de Fransen, greep in 1825 een ernstige restauratie plaats. In 1890 werd de ganse kerk van haar bepleistering ontdaan. De sacristie, in 1650-1651 vermoedelijk opgetrokken op de plaats van de vroegere, moest in 1908 deels afgebroken worden bij de aanleg van de nieuwe Sint-Michielsbrug. Gebruikmakend van de oude plannen breidde architect Modeste de Noyette haar terug uit in 1909. In datzelfde jaar stond hij ook in voor de plannen van de restauratie van het westportaaL De laatste restauratiecampagne, ingezet in 1967, vond plaats onder leiding van het architectenbureau Adriën Bressers.

———-

Bron:

Ghendtsche Tydinghen 1978 – Vol7 N°1

Ghendtsche Tydinghen 1977 – Vol6 N°1

Ghendtsche Tydinghen 1997 – Vol26 N°2

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.