St.-Michielskerk

Slechts weinigen die nu over het Sint-Michielsplein lopen realiseren dat ze zich op het gewezen Sint-Michielskerkhof bevinden. Jozef II vaardigde op 18 juli 1784 een verbod uit nog langer te begraven in kerken en kapellen, verbod dat hij op 1 november daaropvolgend uitbreidde tot het begraven binnen de steden. Op I december 1784 kocht de stad een perceel grond van 599 roeden aan, op een niet nader bepaalde plaats, voor het aanleggen van een nieuw kerkhof voor de parochianen van Sint-Niklaas, Sint-Michiels en Sint-Martinus-Ekkergem. De kostprijs bedroeg 2265 gulden. Aangezien de lijken niet bij dag mochten vervoerd worden, bracht men ze onder in het lijkhuis van de kerk om ze dan ’s avonds met een lijkwagen naar het nieuw kerkhof te vervoeren. De Sint-Michielskerk bezat langs weerszijden van het hoofdportaal een lijkkamer.

460

Reeds in 1785 is er sprake van een zelfgemaakte weg over het oud kerkhof tussen de Sint-Michielsbrug en de Toren- of Turrepoortbrug. De kerkfabriek verkocht op 18 november 1785 het kerkhof aan de stad voor 200 ponden groten. Een clausule opgenomen in de verkoopsvoorwaarden vermeldt dat het gewezen kerkhof ten eeuwige dage onbebouwd moet blijven tot “sieraad van de kerk en tot den publieken dienst”. Ongetwijfeld zal ook het respect voor de doden bijgedragen hebben tot het nemen van dit besluit.

In 1440 startte de werken aan de St.-Michielskerk. Het is opgetrokken met behoud van het vroeggotische koor van de kapel.

In een charter van 1105 bevestigt Balderik, bisschop van Doornik-Noyon aan de Sint-Baafsabdij het patronaatschap over de kerk van St.-Martinus-Ekkergem en de daarvan afhankelijke Sint-MichielskapeL Hieruit blijkt dus dat er nog geen sprake was van een kerk maar wel van een kapel. Deze werd bediend door de geestelijken van Sint-Martinus. De drie priesters moesten in de 12de eeuw om beurten in de nabijheid van Ekkergemkerk of in de buurt van de Sint-Miebielskapel wonen. In het begin van de 14de eeuw voegde men er zelfs een vierde bedienaar aan toe.

Reeds tussen 1156 en 1169 greep de ontvoogding plaats die voor felle en jarenlange discussie zorgde tussen de twee parochies. De Gentse bisschop Cornelius J ansenius stelde daaraan een einde in 1561 door beide parochies een afzonderlijk statuut te verlenen. In de jaren 1120 en 1125 en nog eens in 1212 werd de kerk door brand geteisterd. Telkens werd ze vlug heropgebouwd en waarschijnlijk maakte men van de gelegenheid gebruik om ze merkelijk te vergroten. In een document uit 1244, dat handelt over de oprichting van een kapelanie, vermeldt mem herhaaldelijk “ecclesia sancti Michaëlis Gandavensi”. Op dat ogenblik is er dus reeds sprake van een kerk. 

In het begin van de 15de eeuw drongen herstellingswerken zich op aan de toren. Een overeenkomst uit 1413-1414, tussen Jacoppe de Wielmakere, ontvanger van de Sint-Michielskerk, en Arent vanden Sande, steenkoper uit Vilvoorde, spreekt over een levering van goede “Dieleghemsche steeoen wel ende reiolie gehauwen” die zullen gebruikt worden bij de herstelling van de toren.

Al vlug zag men echter in dat de herstellingen slechts lapmiddelen waren en dat bovendien het gebouw zelf te klein werd om aan de stijgende behoeften te voldoen. Men besloot dan maar een nieuwe grotere kerk te bouwen. Uit de stadsrekeningen van 1440-1441 blijkt dat ter gelegenheid van de “eerste steenlegging” van de nieuwe kerk men voor de werklieden een “tractement” betaalde. Naast een aantal notabelen en schepenen uit Gent was ook de hoogbaljuw van Vlaanderen Colaard van Commere bij die gelegenheid aanwezig.

Eerst bouwde men de west-of torenzijde, waaraan men nog bezig was in 1480. In 1508 werden de kruispijlers opgetrokken en het groot venster in de kruisbeuk gestoken. Tussen 1508 en 1510 voltooide men het transept en in 1512 werden (op kosten van Lieven van Pottelsberghe) hergoten zes klokken in de dakruiter opgehangen. Wegens gebrek aan de nodige fondsen moest men in 1526-1527 een grote loterij organiseren. Het schip van de kerk stond in 1528 onder dak maar aan de kapellen werd er toen nog naarstig gewerkt. Alhoewel de westgevel reeds voltooid was in 1514 vermelden de rekeningen van 1539 de aankoop van Vlaamse arduin die zal verwerkt worden in het groot portaal.

De toren, waarschijnlijk het meest problematische deel van de ganse Sint-Michielskerk, was in 1550 nog maar een huis hoog opgetrokken. In 1566 waren amper twee geledingen afgewerkt. Om de werken te kunnen bekostigen organiseerde men geldinzamelingen onder de parochianen, zoals in 1506, en verleende de stad subsidies, o.a.20 pond groten in 1516. De werken aan de kerk waren midden de 16de eeuw toch zo ver afgeraakt dat er reeds een aantal kunstwerken in ondergebracht konden worden.

Dit blijkt althans uit de verslagen over de beeldenstorm in 1566. Toen echter tijdens het “Wonderjaar” de onlusten uitbraken had men een aantal kunstwerken uit voorzorgsmaatregel een veilig onderkomen bezorgd.

Toch had men niet alle waardevolle kunstwerken tijdig kunnen verbergen. Zo vermeldt van Vaernewijck de beschadiging van een “albasten tafelkin met daerboven een Oordeel” dat meester Charles Claeysone had doen maken en het beeld van “Sint-Jacob geplaatst op de preekstoel” bekostigd door raadsheer Jacob Hesslins. Het groot orgel in de zuidelijke kruisbeuk, destijds geschonken door Lieven van Pottelsberghe, kon op het laatste nippertje gered worden door het moedig optreden van een toeschouwer. Hij kon de beeldenstormers er van overtuigen het instrument ongeschonden te laten op belofte van een uitgebreid drinkgelag. Daardoor bleven ook de geschilderde glasramen van de kerk ongedeerd.

Tijdens de tweede beeldenstorm in 1578 bleef er weinig ongeschonden. De kerk kreeg zelfs een derde inval te verduren op 10 maart 1597. Toen vernielden de geuzen de ondertussen nieuw geplaatste meubelen en kunstwerken en stalen ze het ijzer en het lood van de daken.

Waarschijnlijk was het Romaanse koor van de oude kerk nog in gebruik om er de kerkdiensten in te laten doorgaan tijdens het optrekken van de nieuwe delen. Zeker is dat tijdens de Calvinistische Republiek in 1579 het oude koor met de grond gelijk gemaakt werd om een rechte straatverbinding tot stand te brengen tussen Onderbergen en de Koornlei. Zodoende zag men zich verplicht in 1585-1586 houten schutsels te plaatsen om het nieuwe deel van de kerk af te sluiten. Het zou echter nog tot 1623-1624 duren vooraleer aan de bouw van het nieuwe koor zou begonnen worden met gebruik van de oude fundamenten. De aartshertogen Albrecht en Isabella legden de eerste steen in 1623.

Capture d’écran (3195)

Om de financiële lasten te helpen delgen verkreeg het Gentse stadsbestuur op 21 maart 1619 van de hogere overheid de toelating een belasting van één stuiver te heffen op elke zak verkocht graan. De toelating was geldig voor drie jaar en moest steeds hernieuwd worden. De laatste keer dat dit gebeurde was in 1672. Door de trage vordering van de werken was het niet uitgesloten dat ondertussen de oorspronkelijke plannen verloren gingen en men zijn toevlucht zocht tot improvisatie. Toen in 1630 de grote koorvensters moesten geplaatst worden kregen de bouwmeesters Tobias d’Oosterlinck, Lieven Pien en Lieven Sanders opdracht de vensters van de kathedraal, Sint-Jacobs en andere kerken op te meten om daarvan een vergelijkende studie te maken. De ganse kerk stond in het droge in 1650 maar ondertussen bleven de werken aan de toren stilliggen. Tussen 1658 en 1672 werd aan de toren verder gebouwd zonder dat men concrete plannen had voor de afwerking ervan. Er waren nochtans een viertal plannen opgemaakt geweest maar geen enkel voldeed. Het geldduiveltje kwam nog maar eens stokken in de wielen steken. De stad weigerde verder haar medewerking. Meer nog, de reeds ingezamelde gelden voor de toren kregen een andere bestemming.

De in 1655 opgerichte gilde van de Taverniers of herbergiers hadden een kapel in de St.-Michielskerk. Hun patroonheilige was de H. Zacheus. Wie in Gent geen lid was van de gilde mocht ook geen bier tappen. Het verbruik van bier in de middeleeuwen lag boven 1L per persoon per dag!

In een ultieme poging het stadsbestuur aan te porren tot de betaling van de achterstallige 46.500 gulden voor de afwerking, richtte de kerkraad op 19 juni 1743 een verzoekschrift aan gouverneur Graaf van Coningsegg. Dit bleef zonder resultaat. Ten einde raad openden ze dan maar in 1745 een intekening voor het verhogen van de toren met één verdieping van 55 voet. Ook dit initiatief kende geen succes. Toen op het einde van de 18de eeuw de toren begon af te brokkelen met gevaar voor de voorbijgangers, moest het stadsbestuur noodgedwongen een hulpgeld van 24.000 gulden ter beschikking stellen voor dringende herstellingen.

GentSt-MichielskerkLVerstuyft

De Franse bezetter verbood op 30 augustus 1798 de kerkelijke diensten. De Sint-Michielskerk werd omgevormd tot “Tempel der Wet” of “Decadaire Tempel” om daarin de eredienst van de godin van de rede te houden. Daartoe verwijderde men de godsdienstige symbolen. Naast het slopen van de portalen, de elf kapellen van de benedenkerk en de tien van de bovenkerk, het hoogaltaar, het koorgestoelte, de preek- en biechtstoelen, haalden de Fransen bovendien de beelden van de twaalf apostelen in de middenbeuk van hun voetstuk. De schade werd later op 114.607 gulden geraamd. Krachtens het concordaat tussen de paus en Napoleon werd de kerk op 12 april – 22 germinal an I 0 – terug gegeven aan de eredienst. Het zou echter nog tot 5 juni duren vooraleer de eerste godsdienstoefeningen er in doorgingen, vijf dagen later gevolgd door de verkoop van de objecten die voor de nieuwe ritus hadden gediend.

Op 14 november 1852 is de Sint-Michielskerk verrijkt met een nieuw altaar. Een werk van de Gentse beeldhouwer J. Franck die ook reeds de preekstoel gebeiteld had. Na de inval van de Fransen in 1794 werd de Sint-Michielskerk beroofd van haar beelden en schilderijen en gebruikt als tempel van de rede, daarna als tempel van de wet en nog wat later als tempel van de Théophilantropen. Nadat de kerk opnieuw ter beschikking was gesteld voor de katholieke eredienst zijn er voor 72.406 fr. (1795€) herstellingswerken uitgevoerd.

24 juni 1858. De kerkfabriek van de Sint-Michielskerk had sedert enkele jaren het plan een nieuw hoofdaltaar te laten bouwen. De architekt Minard werd met het ontwerp belast. Het altaar is in gebloemde gotische stijl; het onderste gedeelte is in wit marmer, de vijf treden zijn in rood marmer. De 32 beelden die het áltaar versieren zijn het werk van de Antwerpse kunstenaar Van Arendonck. Gisteren is men begonnen het altaar te plaatsen.

8 augustus 1869. De Sint-Michielskerk is verrijkt met twee geschilderde glasramen, gemaakt door Craponnier van Brussel.

Met de wereldtentoonstelling van 1913 in het vooruitzicht werden heel wat historische gebouwen gerestaureerd. In het kader hiervan tekende Vatentin Vaerwyck een nieuw torenontwerp. Daarbij liet hij zich inspireren door het ontwerp van Lieven Cruyl. Nu was het echter de oorlog die roet in het eten kwam gooien tot in 1918 het plan weer te berde kwam. Vaerwyck paste het weliswaar wat aan. Zo voorzag hij een torenbekroning onder de vorm van een verguld Sint-Michielsbeeld. Om zijn plan wat geloofwaardiger te maken en onder invloed van de naoorlogse euforische toestanden noemde hij zijn toren een “Monument van de Zegepraal”. Maar de toren … die bleef steken op 23,67 meter.

De toren bleef zonder dak tot 1824 zodat men bij regenweer kletsnat werd in het portaal. Voor het eerste klokkegelui moest nog gewacht worden tot 17 november 1825, na het bouwen van een nieuwe klokkenstoel. Om de schade te herstellen, aangericht door de Fransen, greep in 1825 een ernstige restauratie plaats. In 1890 werd de ganse kerk van haar bepleistering ontdaan. De sacristie, in 1650-1651 vermoedelijk opgetrokken op de plaats van de vroegere, moest in 1908 deels afgebroken worden bij de aanleg van de nieuwe Sint-Michielsbrug. Gebruikmakend van de oude plannen breidde architect Modeste de Noyette haar terug uit in 1909. In datzelfde jaar stond hij ook in voor de plannen van de restauratie van het westportaaL De laatste restauratiecampagne, ingezet in 1967, vond plaats onder leiding van het architectenbureau Adriën Bressers.

Dat er in 1988, met de uitgebreide wegen-en rioleringswerken en met de heraanleg van het St.-Michielsplein wel ’t een en ander aan de oppervlakte zou komen was te verwachten en die verwachting werd niet bedrogen. We wisten ook, dat de St.-Michielswijk in de ontwikkeling van onze stad een belangrijke plaats had ingenomen en dat zijn ontstaan zeer ver in de geschiedenis terugging. De wijk was de eerste uitbreiding van de middeleeuwse stadskern over de Leie en werd dan ook “Overleie” genoemd. Vanuit historisch standpunt wordt aangenomen dat deze ontwikkeling zich zou gesitueerd hebben in de 10de eeuw en dat de wijk reeds rond het midden van die eeuw zou bewoond geweest zijn.

In het reeds eerder geciteerd artikel in het tijdschrift “Stadsarcheologie” wordt er echter op gewezen dat archeologisch gezien, de huidige St.-Michielskerk geen getuigenissen ouder dan de 12de eeuw vertoont. Blijft de vraag: “Van wanneer dateert de aanleg van het kerkhof op dit plein vóór de St.-Michielskerk? Het antwoord kan slechts moeilijk met zekerheid verstrekt worden. Bestond het reeds in de 13de eeuw? Gelet op de snelle ontwikkeling van dit gebied, de opgang van Sint-Michielskapel tot Sint-Michielskerk, de aangroei van de bevolking en de groei van de Sint-Michielsparochie zelf, is dat niet onmogelijk. Volgens de Dienst Monumentenzorg en Stadsarcheologie, in de hierboven vermelde bijdrage, zou echter op grond van stratigrafische bevindingen blijken dat het kerkhof van jongere datum is dan het eind van de 13de en het begin van de 14de eeuw. Anderzijds weet men, dat er in 1420 rond het kerkhof een nieuwe muur zou gebouwd zijn.

Ook De Potter maakt er melding van dat de afsluiting van de begraafplaats in de eerste jaren van de 15de eeuw vernieuwd werd. Het kerkhof moet vrij groot geweest zijn. Volgens De Potter zou het zich tot aan de omliggende huizen uitgestrekt hebben en nauwelijks plaats gelaten hebben voor een voertuig. Hij verwijst daarbij naar volgende teksten : “de nieuwe kerckhof van Ste Michiels, bij de Ste Michielsstrate” (1460); “eerven, daer een huus up plach te stane (in de Ste Michielsstrate ), dat nu tkerkchof es” (Renteboek der armen van St-Nicolaas 1516); “van eerven, daer een huus up stont naest den huuse hier voren ter Torrepoorten waert, ende es ooc nu kerchof’ (idem).

In de 16de eeuw zou het kerkhof vergroot zijn. Om deze stelling te staven, steunt De Potter zich op een tekst van de “armenrekening” van de Sint-Michielsparochie over het jaar 1586-1587 die zegt: “de eerfve van Ste Miebiels strate, daer wijlent een huus up stont, nu het kerckhoff, bij den “nieuwen turre” en verder nog: “daernaest, ende waeren voortijts twee groote looven, nu tnieuwekerchof … de eerve daernaest, wesende den houck van den kerchove, daer de traelge plagt te ligghene, jeghens over sente Miebiels straete” … “De eerfve, daer de poorte staet van wijlent thuus van neeringhe van de Brauwers, ende es nu den uytganc tusschen baillen in de Huerendochterstraete”.

Ook zou de plaats waar later de pastorij gebouwd werd vroeger tot de begraafplaats behoord hebben. In dit verband haalt De Potter een notariële akte aan van 9 november 1684 van Antoon Stuperaert en J.B. van den Broucke waarin gezegd wordt : “een huys … beneden de St. Michiels brugghe baudende den houck van de selve brugghe ende ter andere baudende den houck van het kerckhoff’. Tijdens het Calvinistisch bewind over de stad (1577-1584) werd het kerkhof geschonden, wat trouwens met de St.-Michielskerk zelf ook gebeurde. Reeds tijdens de beeldenstorm van 1566 waren in de St. Michielskerk vernielingen aangericht. In 1578 haalden ze delen van de kerkhofmuur neer maar deze werd herbouwd in 1597. De muur werd nogmaals vernieuwd in 1675. In de notariële protocollen van Jean de Jonghe van 1672 (Rijksarchief te Gent) komt o.m. het klad voor van het lastenboek betreffende “het verhooghen van den nieuwen torre” van de Sint-Michielskerk. Het kerkhof komt daarin ter sprake : “Sijnde de aennemers ghehauden alle het coreelsteen wesende op het besloten kerchof te haelen tot onder den turre … ” en verder : “De annemers moeten oock het orduijn steen wesende op het kerchof doen brenghen tot onder den torreen doen boven winden alsvooren … “en nog: “Raekende den steenput op het kerchof zijn d’annemers ghehauden den selven te rnaeken ende daertoe te doen den aerbeijt. .. “.

De noodzaak van een betere doorgang naar de Poel en de Hoogstraat liet zich meer en meer voelen. In 1585 legde men over de begraafplaats een straat aan. De Potter wijst erop dat men in de eerste jaren van de 17de eeuw de straten voor en “bezijden” de kerk begon te verbreden en dit ten nadele van de begraafplaats. Het begraven van de inwoners van de parochie in en rond de kerken stelde natuurlijk ernstige problemen, ook op het stuk van de openbare gezondheid. Voor de St.-Niklaasparochie werd het begraven rond de kerk reeds in de 16de eeuw verboden. De portuskerken van St.-Niklaas en St.-Michiels waren volledig ingebouwd. Daarom werd bevolen de doden van de parochie in een speciaal daartoe afgesloten ruimte te begraven tussen het Hof van Waarschoot en de Bijloke. Na den geuzentijd evenwel zou het begraven binnen de kerk nog zijn voortgezet. Het verdween pas definitief in 1784 op bevel van Jozef II. Deze laatste datum is zeer belangrijk. Weten we immers niet met zekerheid wanneer het kerkhof er juist kwam, dan kunnen we met zekerheid zeggen dat 1784 er het einde van betekende. Inderdaad, Keizer Jozef II, door Frederik van Pruisen “mijn broeder de koster” bijgenaamd omdat eerstgenoemde zich voortdurend met kerkelijke aangelegenheden en met de zaken van de eredienst bemoeide, verbood bij edict van juni 1784 nog langer mensen te begraven binnen en rond de kerken en kapellen. In november 1784 kwam ook het verbod om het nog te doen binnen de steden. De resten, die uit de ondergrond van het oude kerkhof op het St.-Michielsplein werden bovengehaald, dateerden dus zeker van vóór 1784, maar voor een deel van veel vroeger.

In juni 1784 had het gemeentebestuur al voor twee kerkhoven gezorgd. Een ervan lag buiten de Dampoort. Het was bestemd voor de bewoners van de parochies van St. Baafs, St. Jacobs en H. Kerst. De gronden van dit kerkhof, met een oppervlakte van ongeveer 600 roeden, werden door de bisschop van Gent, toen was dat Ferdinand-Marie de Lobkowitz, verkocht aan de stad. Buiten de Brugsepoort kocht de stad 599 roeden grond voor de prijs van 2265 gulden, dit voor de aanleg van een kerkhof voor de parochies St. Niklaas, St. Michiels en Akkergem. In “Den Vlaemschen Indicateur” wordt op 1 december 1784 o.a. melding gemaakt dat de lijken na de godsdienstige plechtigheden in het “lijkhuis” der parochiekerken werden ondergebracht en ’s avonds met “lijkwagens” naar de nieuwe kerkhoven buiten de stad werden vervoerd. Men maakte dus in de parochiekerken bijzondere “bidplaetsen” of “lyckkaemers”.

Zo was er in Sint-Michielskerk naast de grote kerkdeur langs beide kanten een lijkkamer. Ook het geldelijk aspekt behield in die zaken al zijn rechten. In verband met het lijkenvervoer stond in de “Gazette van Gend” van april 1792 het volgende te lezen: “Eene Lyk Voiture vercierd met zwarte Bekleedsels en Vercieringen” naer een der kerkhoven kost bij het gilde van St. Joris, onderhouden bij de “Vrije Kavelotters en Huurkoetsiers”, twee gulden twee stuivers, in mededinging met de “propritarissen der officieën van de Lykbidders” welke 3 tot 4 gulden doen betalen. Deze laatsten hadden verscheidene processen ingespannen om het monopolie op begrafenissen te hebben, doch hunne vraag werd telkens niet “ontfangelyk” verklaard en op 20 maart 1792 bij keizerlijk decreet bepaald verworpen.

In “Gedenkboeken der Stad Gent-Gent onder Jozef II” verwijst D. Destanberg naar een uittreksel uit het Resolutieboek (18 november 1785) waarin wordt gezegd dat sedert het sluiten van de kerkhoven voetgangers en voerlieden van de St. Michielsbrug naar de Torenbrug door het kerkhof van Sint-Michiels een weg hebben gemaakt. De kerkfabriek, eigenaar van het kerkhof, heeft daarop de aandacht van de schepenen van der Keure gevestigd welke beslissen dat door het “effectueren van de betaelingen van twee hondert ponden grooten de stad de volle proprieteyt van het kerckhof zal hebben zoo ende gelyck het actuelyck is op conditie nogtans dat het gemelde kerckhof soo tot ciraet van de kercke als tot den publiquen dienst ten eeuwighen daege zal on bebouwt blyven”.

In 1785 werd de muur rond het kerkhof gesloopt en verdwenen ook de laatste bovengrondse overblijfselen ervan. Op die plaats werd een openbaar plein aangelegd. Ook het doodbeenderhuisje aan de kant van de kleine kerkingang werd bij de straat ingelijfd. Het St.-Michielsplein had de plaats ingenomen van het kerkhof van Sint-Michiels. In april 1988 ging er van dat plein, dat nu de resten van een opengereten dodenakker van weleer liet zien, een heel aparte en macabere indruk uit. Wanneer men al die verhakkelde menselijke beenderresten, samen met hopen aarde en afval gewoon zag afvoeren naar andere oorden waar ze weer als opvulling zouden gebruikt worden, maakte men bij zichzelf toch wel enkele bedenkingen over de “rust” die de tijd en de wereld gunnen aan hen die eeuwen geleden aan moeder aarde toevertrouwd werden. Maar zo gaat het nu eenmaal.

Hoe stond het dan met andere geschiedkundige bevindingen ter plaatse? Eerst en vooral in verband met de grootte van het kerkhof. De vaststelling dat op de verschillende plaatsen, waar op het plein gegraven werd, beenderresten, schedels of stukken van schedels evenals delen van geraamten boven gehaald werden, schijnt wel in overeenstemming met de stelling dat het kerkhof op St.-Michielsplein vrij groot moet geweest zijn. Wat de uitgestrektheid van dat plein vroeger en nu betreft, dient er te worden op gewezen dat het plein in 1904 verbreed werd. Op enkele plaatsen in het midden van het plein maar ook naar de uitkanten ervan en dan iets dichter naar de St.-Michielsstraat toe, waar diepere grachten waren gegraven, zagen we in de zijwand van die kuilen op verschillende niveaus enkele geraamten liggen, toevallig door de graafmachine niet vernietigd, evenwel zonder spoor of overblijfselen van kisten. In enkele van de voor de rioleringen gegraven grachten werden ook overblijfselen van constructies in baksteen zichtbaar. Het langste en grootste stuk was oost-west gericht en situeerde zich in dat deel van het plein dat ongeveer in de verlenging ligt van de huidige Sint-Michielshelling. Aan de noord-west kant van het plein, naar de hoek toe met de Sint-Michielsstraat, werden enkele afgeronde houten paaltjes aangetroffen evenals een blok blauwe hardsteen van ongeveer 45 cm lengte, waarin aan één zijde, op enkele centimeter van het uiteinde, een kleine ronde holte was uitgekapt. Aan de zuidelijke rand van het plein, ter hoogte van de plaats waar er thans een open plek is in de gevelwand, werden heel wat bakstenen aangetroffen van het formaat 27 x 13 x 6 cm en van 24/25 x 11 x 5/6 cm evenals platte rode dakpannen en enkele stukken schalie.

Aan de hoek van St.-Michielsplein en Ingelandsgat lag een een opvallend grote hoeveelheid oesterschelpen. Is het ter verduidelijking nodig er nogmaals aan te herinneren dat, wat gevonden werd, hoofdzakelijk opgeleverd werd door het zoeken en rapen in hetgeen toevallig door de graafmachine naar boven werd gehaald, met alles wat het impliceert inzake onmogelijkheid tot nauwkeurig situeren en lokaliseren ervan, enerzijds, en beschadiging en vernieling bij de mechanische behandeling anderzijds. In de door de graafmachine opgehaalde bergjes aarde, die her en der over het plein verspreid lagen, kwamen een groot aantal scherven voor: ceramisch materiaal en aardewerk van allerlei slag, herkomst en kleuren rood, donkerbruin, lichtbruin, groen, grijs en wit naast enkele die meerkleurig waren, enkele bedekt met glazuur. Van twee grijze kruiken vond ik de voet, één ervan was getand; van een grote bruine kom was er een fragment van de bodem en van de zijwand. Verder een vrij groot stuk van de bovenste rand van een bruine pot, een bruinkleurige dekselknop in gebakken aarde, een stuk van de bodem van een kom of pot waarvan de binnenkant bruinkleurig en de buitenzijde groenkleurig was. Ook stukken van de steel van twee pannen waarvan de ene donkerbruin en de andere groenkleurig was evenals een fragment van de rand van een grote kom en van het handvat. Een paar scherven waren waarschijnlijk afkomstig van mooie poly-chrome siertegels. Verder nog een aantal kleinere scherven van diverse kleur en met glazuur bedekt. Ik vond ook de kop met het hieltje van een fijn stenen pijpje. Onder de vondsten verder ook een aantal fragmenten van daklei waarvan één nog twee nagels met platte kop bevatte terwijl andere stukken de sporen droegen van hechting. In totaal toch enkele interessante stukken, waarvan sommige blijkbaar dateerden uit de 14-15de eeuw, terwijl andere, misschien wel ouder, in aanmerking kwamen voor verder onderzoek en datering.

Er liepen in die dagen ook op St.-Michielsplein nogal wat nieuwsgierigen rond die dapper zochten en gretig raapten. Een globale kijk op wat er allemaal gevonden werd kon men dan ook niet hebben. De ondergrond bevatte duidelijk heel wat archeologica en zou zeker een systematisch onderzoek waard geweest zijn. In de gegeven omstandigheden was dit echter schier onmogelijk. Misschien is de Dienst Monumentenzorg en Stadsarcheologie van de Stad Gent in die dagen ter plaatse geweest en komen van die kant uit nog interessante mededelingen.

———-

Bron:

Ghendtsche Tydinghen 1977 – Vol6 N°1

Ghendtsche Tydinghen 1978 – Vol7 N°1

Ghendtsche Tydinghen 1980 – Vol9 N°2

Ghendtsche Tydinghen 1991 – Vol20 N°5

Ghendtsche Tydinghen 1997 – Vol26 N°2

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.