Kerkhoven

Op 15 december 1832 nam de gemeenteraad het besluit twee stukken grond, samen 16,57 are of 110 oude Gentse roeden groot, aan te kopen tegen zes gulden de roede om het kerkhof buiten de Brugse Poort te vergroten. Als motivering wordt vermeld de aangroei van de bevolking, maar voornamelijk de epidemie van cholera morbus, waardoor het kerkhof te klein is geworden. Tevens wordt vermeld, dat in 1819 dezelfde prijs werd betaald voor de aanleg van het protestants kerhof buiten de Dampoort.

Bij besluit van 27.5.1848 en dit op verzoek van de Joodse gemeenschap stelt de gemeenteraad een terrein van 38m op 10m, gelegen naast het katholiek kerkhof op de Ottergemdries, ter beschikking voor het aanleggen van een Joods kerkhof. (Verslagen gemeenteraad, deel 49) Of deze begraafplaats werd gebruikt is niet duidelijk.

Op 1 oktober 1855 wordt een nieuw besluit genomen, waarbij een ander stuk grond, groot 38 m op 10m en gelegen rechts van de ingang van het kerkhof Heuvelpoort, wordt afgestaan voor de aanleg van een Joods kerkhof.

Voorwaarden:

a. het terrein blijft eigendom van de stad.

b. de Joodse gemeenschap zal op haar kosten een afsluitingsuur bouwen naar het plan opgemaakt door het schepencollege.

c. enkel leden van de Joodse gemeenschap woonachtig te Gent mogen er begraven worden.

De stad verleent een toelage van 300 fr voor de uitvoering van de werken. Vermoedelijk was de Joodse gemeenschap niet zo rijk, want op 17 mei 1856 besluit de gemeenteraad de bouwkosten, zo’n 1042,18 fr, volledig op zich te nemen (Verslagen gemeenteraad, deel 54).

De gemeenteraad keurde op 18 april 1863 een reglement goed inzake de politie op het kerkhof. Het kerkhof-vraagstuk was een moeilijk probleem dat heel wat inkt heeft doen vloeien in gans het land. Tot op het einde van het Ancien Regime was een begrafenis een louter godsdienstige aangelegenheid. Wel had Jozef II, we sreken 1784, in de steden de parochiale kerkhoven doen verplaatsen naar de rand van de stad. Zo ontstonden er drie Gentse kerkhoven nl. aan de Heuvelpoort, de Dampoort en de Brugsepoort (De Smetstraat), maar aan het karakter van de begrafenis was niets veranderd.

De kerkhoven waren bezit van de parochiekerken. Na de Franse revolutie werd de burgerlijke stand opgericht en werd een overlijden ook een burgerlijke akt.

Art. 15 van het decreet van 23 prairial jaar XII (1804) bepaalde : “Dans les communes ou l’on professe plusieurs cultes, chaque culte doit avoir un lieu d’inhumation particulier, et dans le cas ou il n’y aurait qu’un seul cimetière, on le partagera par des murs, haies ou fossés en autant de parties qu’il y a de cultes différents”.

Art. 16 van hetzelfde decreet bepaalde : “Les lieux de sépulture, soit qu’ils appartiennent aux communes, soit qu’ils appartiennent aux particuliers, seront soumis à l’autorité, pollee et surveilance des administrations municipales”.

Art. 17 bepaalde : “Les autorités locales sont spécialement chargées de maintenir l’exécution des lois et réglements, qui prohibent les exhumations non autorisées et d’empêcher qu’il ne se commette dans les lieux de sépulture aucun désordre ou qu’on permette aucun acte contraire au respect du à la mémoire des morts”.

Het gemeentereglement van 1863 bepaalde : “Zal gestraft worden met een boete van 15 fr. in alle geval waar de daad geen misdrijf of overtreding aan groter straffen onderworpen daerstelt, al wie zich schuldig maakt aan het wegnemen of vrijwillig te hebben verbroken een kruis, hekken, zerk of al ander grafteken in één der kerkhoven gelegen op het grondgebied van Gent”. Het kerkhof van de Dampoort (Wasstraat) was eigendom van de kerkfabrieken van St.-Baafs, St.-Jacobs en het H. Kerst. Tot einde 1852 waren de concessies op het kerkhof, het aantal was zeer gering, door de kerkfabriek verleend.

Begin 1863 verleende de gemeenteraad een concessie. De “Bestendige Deputatie” zal voorbehoud maken op het gemeenteraadsbesluit. Het probleem zal zelfs aanhangig gemaakt worden bij de minister, die op 11.2.1864 zal antwoorden : “La question de savoir dans quelles formes et au profit de qui les concessions de l’espèce doivent être accordées, constitue une des plus graves difficultés de la législation des cimetières”. De minister besluit dat de stad voorlopig verder concessies kan verlenen op voorwaarde van het antwoord op de vraag aan wie de prijs van de concessie toekomt. Het kerkhofprobleem stelde zich niet enkel te Gent, maar ook in een aantal andere gemeenten. Verschillende malen zal dit vraagstuk in het parlement worden besproken. (voor meer gegevens: zie Prof. Luyckx). (1). Op 11 juli zal de gemeenteraad de prijs van een concessie op het kerkhof bepalen.

25 maart 1865. Op het kerkhof van de Dampoort werden door werklieden vergezeld van een politieagent een vijftal grafkelders, gebouwd op last van de commissie van de kerkfabrieken, afgebroken. Er volgt natuurlijk een klacht door de pastoors van Sint-Baafs, van Sint-Jacobs en van het H. Kerst, terwijl De Baets de minister in het parlement interpelleert.

21 april 1865 :De gemeenteraad keurt een reglement op de begrafenissen goed. Het verslag werd opgesteld door Fr. Laurent. In het verslag worden de volgende problemen behandeld : de grootte van de kerkhoven, de scheiding van de graven per eredienst, wie moet en wie mag begraven worden op een gemeentelijk kerkhof, het kerkhofpersoneel (voorlopig was dit personeel nog aangesteld door de geestelijke overheid), de toelating tot de begrafenis, etc. Het reglement telt niet minder dan 86 artikels.

Art. 7 bepaalde : “Het personeel der kerkhoven bestaat uit een bestuurder der begrafenissen, een bewaarder voor ieder kerkhof, een grafmaker, twaalf dragers en een ceremoniemeester.” De bestuurder zetelt op het stadhuis, is een adjunct-politiecommissaris en geniet een jaarwedde van 2000 fr. (50€). De bewaarders hebben de graad van politieagent en ontvangen duizend frank per jaar; ze houden het register van de begrafenissen bij. De grafmakers verdienen 600 tot 800 fr. per jaar. De dragers stonden onder het bevel van de ondernemer van de begrafenisplechtigheid en werden door de ondernemer betaald.

Art. 85 bepaalde : “De muren, die het zogezegd protestants van het zogezegd katholiek kerkhof in het voorgeborchte van de Brugsche poort en het zogezegd Joods van het zogezegd katholiek kerkhof in het Heuvelpoortvoorgeborchte afscheiden, zullen afgebroken worden”. (zie Mémorial administratif de la ville de Gand 1865).

Een reglement stemmen en het uitvoeren zijn twee verschillende zaken. Einde 1866 wordt het nieuw reglement nog niet toegepast. Dat weten we onder meer door een voorval op het kerkhof van de Dampoort:

Begin december 1866 zou een zekere Schilpp, muziekleraar aan het conservatorium en protestant, begraven worden op het kerkhof van de Dampoort. Toen de lijkstoet op het kerkhof kwam, verhinderden vrienden van de overledene dat hij zou begraven worden op het kerkhof en drukten de wens uit dat de overledene zou begraven worden op het protestants kerkhof van de Brugse poort. Hierop werd de lijkkist in een bergplaats geplaatst. Uit het onderzoek ingesteld door een politiecommissaris bleek dat de toelating tot begraving werd afgeleverd door de koster van de Sint-Baafskathedraal en dat broeder Bernard, recollet die belast was met de begrafenissen op het kerkhof van de Dampoort, al de nodige schikkingen had getroffen.

In de begroting voor 1867 vinden we een voorziene uitgave: “drie grafdelvers aan 1000 fr.”, wat niet in overeenstemming is met het reglement. De bestuurder en de bewakers worden niet aangesteld. Wel is er een stadsbediende, die ook met andere opdrachten is belast, die nu het toezicht krijgt op de kerkhoven en hiervoor een vergoeding ontvangt van 400 fr. per jaar. Een begroting stemmen en ze uitvoeren zijn nog eens twee verschillende zaken.

In het register van de uitgaven vinden we voor 1867 slechts één grafdelver, die maandelijks 90 fr. ont-vangt. Soms wordt hij aangeduid als “fossoyeur temporaire”. Zelfs in 1871 vinden we slechts één grafdelver, die thans maandelijks 83,33 fr. ontvangt (dit is dus een jaarwedde van duizend frank).

Het kerkhof in de huidige Desmetstraat zal gesloten worden op 31 december 1872 en het nieuw kerkhof “in het voorgeborchte der voormalige Brugschepoort” zal in gebruik genomen worden.

30 december 1872. Met diepe droefheid kondigen wij u aan, Beminde Broeders, dat de overledenen van uw parochie, die tot heden voor begraafplaats hadden het katholiek kerkhof buiten de voormalige Brugsepoort, aldaar, te beginnen van woensdag aanstaande, niet meer mogen de christelijke begraving ontvangen en dat zij zullen gelegd worden in het nieuw kerkhof welk wij tot heden niet gewijd hebben omdat deze wijding ons niet toegelaten wordt. Dus berooft men de overledenen van de krachtige hulp der gebeden die de Heilige Kerk brengt over de kerkhoven en over al degenen die er rusten.”

In verband met het kerkhofprobleem schrijft Jan Art (1) : “In 1873 wanneer het stadsbëstuur overgaat tot de opening van een nieuw kerkhof en aan de bisschop geweigerd wordt dit in zijn geheel te zegenen, is het stadium der schermutselingen voorbij. De kerkelijke overheid van haar kant weigert de begraafplaatsen per kuil te zegenen en tracht iedere begrafenis op wat het “Geuzenkerkhof” wordt genoemd, te boycotten. Voor individuele inzegening was immers een pauselijke dispensatie vereist en deze zou pas in 1891 van Rome bekomen worden.”

Begin 1873 zal een “Comité pour la défense des cimetières catholiques” worden opgericht om te verhinderen dat personen tegen hun wil op de nieuwe begraafplaats zouden begraven worden. Het Comité onder het voorzitterschap van E. H.Devos, pastoor van Sint-Jacobs telde als leden J. de:Hemptinne, Alfr. de Kerchove, J. Lammens, d’Alcantara, W. Verspeyen, Casier en ridder de Ghellinck. Op 14 october 1873 werd een nieuw gewijd kerkhof te Mariakerke geopend. Terwijl werden ook in al de parochies “Broederschappen van de Goede Dood” opgericht. Mits een bijdrage van enkele centimes per week wordt een kerkelijke begrafenis verzekerd.

In 1873 zijn er te Gent drie kerkhoven nl. het nieuw niet gewijd kerkhof en de twee gewijde kerkhoven (Heuvelpoort en Dampoort, dat zal gesloten worden in 1877). De voornaamste faktor bij de keuze van de begraafplaats was natuurlijk de geloofsovertuiging. Een bijkomende faktor was wel de afstand tussen het sterfhuis en het kerkhof. Zo zullen bewoners van de wijk van Sint-Pieters wel meestal begraven worden op de Heuvelpoort en bewoners van de Dampoort tot in 1877 op het kerkhof van de Dampoort. Bewoners van straten gelegen langs de linkeroever van de Brugsevaart gaan gemakkelijker naar Mariakerke.

Na 1877 zullen veel bewoners van de Dampoort zich laten begraven op het kerkhof van Sint-Amandsberg. Het is moeilijk uit de statistieken een duidelijk beeld te krijgen wat de keuze van de begraafplaats betreft. Zeker is dat tot 1914 slechts een kleine helft van de bevolking begraven wordt te Gent. Overtuigde katholieken en leden van de “Broederschap van de Goede Dood” gaan naar Mariakerke of Sint-Amandsberg.Overtuigde liberalen en later socialisten gaan naar het. kerkhof van de Brugsepoort (het nieuw kerkhof).

Men moet echter een onderscheid maken tussen een begrafenis in niet gewijde grond en een burgerlijke begrafenis. Praktisch al de personen die zich lieten begraven op het nieuw kerkhof werden begraven met een kerkelijke dienst. De burgerlijke begrafenis was een hoge uitzondering. Pas na de eerste wereldoorlog gaf de kerkelijke overheid aan de priesters de toelating om de begrafenis naar het nieuw kerkhof te vergèzellen en de grafkuil te zegenen. Reeds op 3 december 1872 had volksvertegenwoordiger Drubbel de minister geïnterpelleerd over het vraagstuk van de kerkhoven. De minister antwoordde : “La salution à donner à la question des cimetières est très grave et jusqu’à l’heure le gouvernement n’a encore pris aucune résolution”.

Ik meen me te herinneren, dat in september 1944 het kerkhof in De Smetstraat een korte tijd voor voorlopige begrafenissen werd gebruikt. Na de bevrijding van de stad Gent bezetten de Duitse troepen nog de noordelijke oever van het Verbindingskanaal, waardoor het gemeentekerkhof ontoegankelijk was.

———–

Bron:

Ghendtsche Tydinghen 1973 – Vol2 N°6

Ghendtsche Tydinghen 1979 – Vol8 N°2/N°3

Ghendtsche Tydinghen 1980 – Vol9 N°6