Minard

Opening

Op 27 juni 1847 opende de Gentse architekt en vrijmetselaar François Louis Minard (1801-1875) de deuren van de Minardschouwburg. De toneelvereniging Broedermin en Taelijver had hem overtuigd om deze eerste schouwburg voor Nederlandstalig toneel in Vlaanderen te bouwen. Minard ontwierp en financierde het gebouw volledig zelf.

De schouwburg opende met Brigitta of de twee vonde­lingen, een zangspel van Hippoliet van Peene en Karel Miry. Opvoerders: Broedermin en Taelijver. Onder daverend gejuich werden Van Peene en Miry voor het voetlicht geroepen. Zij vormden met Minard zèlf de helden van deze belangrijke avond. Tegelijk richtten de Gentse toneelverenigingen “Broedermin en Taelijver” en “De Fonteine”, waarvan Minard zelf lid was, het Gentsch Toneelverbond op. Ze mochten om de veertien dagen het theater gebruiken, naast andere, vaak Franse gezelschappen die voor zakenman Minard financieel een stuk interessanter waren. Er werden in de schouwburg voornamelijk operettes opgevoerd.

Architect Minard ontwierp een klassiek 19e-eeuws lijsttheater met liervormige zaal. De gevel kreeg invloeden van de Italiaanse renaissancearchitectuur. Aanvankelijk lag het ‘parterre’ op de eerste verdieping en was de zaal toegankelijk via een zijdeur of een tweede toegang in de Korianderstraat. Op de plek van de huidige entree was er een café. Een cultureel subsidiebeleid bestond toen nog niet waardoor de inkomsten dus van elders moesten komen.

Op 20 oktober 1866 valt te lezen dat in januari 1867 de volksbibliotheek van het Willemsfonds uit de benedenzaal van de Minardschouwburg overgebracht wordt naar het Lakenmetershuis.

In 1871 werd het Nederlands Toneel opgericht, het eerste Gentse beroepsgezelschap. Het mocht de Minard gratis gebruiken en speelde er tot het in 1898, dan werd de
Koninklijke Nederlandse Schouwburg aan het Sint-Baafsplein opgericht.

art. dd 2 mei 1871: Na een verslag van Julius Vuylsteke en een ernstig debat besluit de gemeenteraad een Nederlands toneel op te richten. De schouwburg Minard wordt gehuurd tegen 2500 fr. per jaar. De directeur zal een toelage van 6000 fr. per jaar .ontvangen. Het nadeel was, dat de toelagen aan het liefhebberstoneel, nl. aan Broedermin en Taalijver en aan de Fonteinisten vervielen, niettegenstaande het protest van deze beide verenigingen. Op 3 juni zal de gemeenteraad Frans van Doeselaer en Pieter Fauconnier benoemen tot directeur. Op 1 october werd het toneelseizoen geopend met De Orgeldraaier en Zijne Pleegdochter en nog gevolgd door een blijspel. (voor verdere gegevens: zie Jaak Van Schoor: Een Huis voor Vlaanderen. Honderd Jaar Nederlands Beroepstoneel te Gent).

Vanaf dan werden er naast operettes ook persiflages van bekende opera’s en revues opgevoerd. Typisch aan de revue zijn de zinspelingen op de actualiteit, het Gentse dialect en de liedjes. Acteur en revueschrijver Henri Van daele (1877-1957) werkte in die traditie.

27 januari 1875. In 1874 werd door het stadsbestuur een bericht aangeplakt waarbij verboden werd, op straf van boete, elders zijn behoefte te voldoen dan in de piscines. Er staan aan de Vlaamse Comedie (Minard schouwburg) de dag der vertoningen twee politieagenten om de mensen te beletten te wateren, maar waar staan de piscines ? (In de schouwburg waren nog geen toiletten).

17 november 1878. In de Minardschouwburg wordt de eerste maal “De Reis om de Wereld in Tachtig Dagen” opgevoerd.

Rond 1905, toen architect Jules Pascal Ledoux de schouwburg verbouwde, schakelde de Minard over van gas naar elektriciteit en beschikte het over centrale verwarming, een ijzeren gordijn en een blusinstallatie. Het parterre zakte tot het straatniveau en de hoofd ingang kwam in het midden van de voorgevel. Aanvankelijk was er een afzonderlijke ingang voor de goedkoopste plaatsen. Twintig jaar later verbouwden de architecten-aannemers Aubin en Serck de schouwburg opnieuw. Er kwam een balkon op de eerste verdieping, een plek om ‘te zien en gezien te worden’.

In 1925 richtte Henri Van Daele een eigen toneelgroep op, die het vaste huisgezelschap werd van de Minard. Tijdens de Tweede Wereldoorlog vluchtte Van Daele het land uit en twee van zijn acteurs, Leo Wageneire en Henri Bruyneel, namen tijdelijk het roer over.

Romain Deconinck

Na de Tweede Wereldoorlog werd het gezelschap van Romain Deconinck (1915-1994) het nieuwe huisgezelschap van de Minard. Deconinck had zijn eerste stappen in de toneelwereld gezet door met Hélène Maréchal sketches op te voeren in bioscopen. Op vraag van impresario Dickson had hij in 1941 zijn eerste revue “Past op de velodieven” geschreven voor de Minardschouwburg.

Na de oorlog werd hij beroepsacteur en richtte hij zijn eigen toneelgroep op, Gezelschap Romain Deconinck, beter gekend als ‘Deconincks beren’. Toen de revue minder volk lokte, veranderde het repertoire van Deconincks beren naar ‘echte’ stukken met rake humor. Later brachten ze meer geëngageerde voorstellingen. Tijdens de Gentse Feesten van 1990 voerde Romain zijn allerlaatste stuk op in een tijdelijk heropende Minard, die toen al twee jaar gesloten was uit veiligheidsoverwegingen. In 1994 kwam Romain te overlijden.

De Stad Gent eerde op 27 juni 1997 Romain op passende wijze met de onthulling van zijn standbeeld op het voorplein van de Minard.

Verval

De Minard zelf was naar het einde toe van de jaren ’80 dermate in verval dat de schouwburg op last van de brandweer moest gesloten worden. In 1988, en enigszins onder druk van de publieke opinie, besloot de Stad Gent om het volledige gebouw te kopen van de privéeigenaar, de Coöperatieve Minard (reeds eigenaar sinds het begin van de 20ste eeuw, en eveneens eigenaar van de belendende panden). Vrij snel volgde er een aanvraag ter klassering van het gebouw als monument; het klasseringsbesluit werd in 1989 goedgekeurd. De Stad Gent plande meteen een ‘bescheiden’ renovatie, welke door problemen met de funderingen van het gebouw resulteerde in een zeer grondige restauratie, met afbraak en nieuwbouw van het grootste deel van het gebouw.

De Stad Gent, eigenaar van het gebouw, had tegen eind 1994 niet alleen de Minardschouwburg van verder verval gered, maar er in één moeite een moderne podiumzaal van gemaakt, klaar voor gebruik door een breed spectrum van podiumgenres. Kunstencentrum Vooruit, NTGent en de Blauwe Maandagcompagnie (later Toneelhuis Antwerpen geworden, en in deze Gentse constructie vervangen door Nieuwpoort / Victoria- Campo), dienden zich aan als partners. De nieuwe Minard vzw was geboren, en de basis werd gelegd voor een nieuwe en vrij unieke exploitatiestructuur, die tot op vandaag voortduurt.

Verder staan alle afspraken tussen de Stad Gent en Minard vzw gestipuleerd in de Concessie-Overeenkomst (dd. 1994, en vernieuwd in 2014). Minard vzw krijgt van de Stad de schouwburg ter beschikking en krijgt onder andere de opdracht mee om die optimaal te onderhouden.

Eind november 2020 was het gebouw een laatste maal uit de steigers. Dankzij de ingrijpende restauratie is de Minardschouwburg volledig in ere hersteld. De originele kroonlijst met daarop een indrukwekkende balustrade met kunstvazen keert na meer dan een halve eeuw terug in het straatbeeld. Met ingrepen om het energieverbruik te verminderen en een nieuw ventilatiesysteem, is de cultuurparel klaar voor de toekomst.

Weetje: In de maand februari 1979 werd aan het geboortehuis van dr. Jan Oscar De Gruyter, gelegen in de Walpoortstraat naast de schouwburg Minard, een gedenkplaat onthuld. Jan Oscar De Gruyter werd geboren te Gent op 10 maart 1885. Hij stichtte einde 1914 het Fronttoneel, dat in 1920 het Vlaamsch Volkstoneel werd. De Gruyter was de baanbreker voor de vernieuwing van het Nederlands toneel in Vlaanderen. Hij overleed te Nice op 27 februari 1929, nog geen 44 jaar oud. Zijn beeld prijkt in de hal van de Nederlandse schouwburg. Thans is er een De Gruyterstraat te Gentbrugge en te Gent.

Louis François Martial Minard

Louis François Martial Minard werd geboren te Gent als zoon van een in Gent achtergebleven Franse soldaat Jean Baptiste en de Gentse Marie Thérèse Haestier. Zijn vader, geboren te Bordeaux en gewezen officier bij het Franse leger, was na zijn militaire plichten actief als attaché op het bureau van de prefectuur van het Scheldedepartement.

Louis Minard zelf is twee keer gehuwd geweest, had geen kinderen en volgde lessen aan de Gentse Academie. Wel had hij een grote belangstelling voor de Italiaanse renaissance. In 1829 gaf hij enige tijd les in de Academie te Den Haag en maakte er kennis met de neogotiek.

In 1830 terug in Gent ontwierp hij een groot aantal woningen en gebouwen in klassieke, neoromaanse en neogotische stijl: zijn eigen woning op de Grote Huidevettershoek, het huis Van Artevelde op de Kalandenberg, het hotel d’Alcantara op de Gouvernementstraat, het hoekhuis Vogelmarkt-Koestraat (met op de gevel de portretkoppen van Jan en Hubert van Eyck), schouwburg Minard, het kasteel de Kerchoved’Ousselghem te Vosselare, het neoclassicistische kasteel Coppens, nu HogerInstituut voor Land- en Tuinbouw te Melle, landhuis “Les Hêtres” te Wondelgem, kerken te Letterhoutem, Adegem, Huise, Sint-Martens-Leerne, Etikhove, Wetteren en Melle.

Het verhaal deed de ronde dat Louis Minard een zangeres als maîtresse had. Ze kon niet zo goed zingen, waardoor ze weinig gevraagd werd. Om haar een vast podium te geven zou hij op eigen kosten voor haar de Minardschouwburg hebben gebouwd. Waar of niet waar? Indien waar, een fraai geschenk voor de zangeres. Er wordt eveneens gezegd dat hij de schouwburg bouwde op aandringen van Broedermin en Taelyver. Het ontwerp van de gevel van zijn eigen woning op de Grote Huidevettershoek nr. 8 in neogotische stijl werd door het stadsbestuur, meer bepaald de schepen van openbare werken J.F. Minne-Van der Straeten, een ex-brouwer, afgewezen. Bij wijze van weerwraak bouwde hij, met de bedoeling er een paleis van te maken uit de tijd van Maria van Bourgondië, een onopvallende klassieke, eerder banale gevel, waarachter hij een interieur concipieerde met een exuberante mengeling van neogotische, neo-Byzantijnse en neobarokke ornamenten.

Louis Minard had veel aanzien in zijn tijd en zowel Leopold I als Leopold II behoorden tot zijn kennissenkring en kwamen hem bezoeken. Van 1855 tot1860 was hij lid voor de conservatieve partij. Minard was ook een verwoed verzamelaar van oudheden en kunstwerken uit het verleden, in het bijzonder in verband met de Gentse neringen. Er verschenen twee werken over zijn verzameling. Zijn collectie kwam gedeeltelijk in het Bijlokemuseum en gedeeltelijk in het Louvre en Londense musea terecht.

Op 10 juli 1866 verkreeg Louis Minard de titel van “Ridder der Leopoldsorde”, hem toebedeeld door koning Leopold II. Enkele weken later, op 27 juli 1966, ontving Louis het ereteken van “ridder van de Orde van de Eiken Kroon” van Willem III der Nederlanden. Dit als herinnering aan vroeger bewezen diensten tijdens zijn verblijf in Nederland. Zo werd Minard in 1827 te Amsterdam toegelaten om mede te dingen naar de prijs van Rome voor de bouwkunde. Het onderwerp van de wedstrijd was het maken van een plan voor een instituut voor Schone Kunsten. Minard bekwam niet de prijs, maar bij K.B. kreeg hij een toelage van 500 gulden en een gouden medaille. Kort daarop werd hij benoemd tot leraar in de bouwkunde aan de Koninklijke Academie te Den Haag. Na de Belgische omwenteling keerde hij terug naar Gent.

Om in de trend te blijven bekroonde de koningin van Engeland het werk van deze Gentsche architekt met het gepaste eremetaal alsook Olaf van Zweden die Minard “het Ridderkruis” toekende.

Hij overleed in 1875 en ligt begraven op het Campo Santo te Sint-Amandsberg. Hij heeft zijn grafkapel zelf ontworpen. Het beeld op zijn graf is van Isidoor Dubrucq.

Zijn woning op de Grote Huidevettershoek is, zoals reeds vermeld, aan de straatkant een totaal onopvallend gebouw met een wit bepleisterde lijstgevel van vijf traveeën en drie bouwlagen, rechthoekige ramen. Aan de rechterkant een rechthoekige poort en een deurtje. Het gebouw komt aan deachterkant uit in de Korianderstraat. Het interieur daarentegen is een grote verrassing: van beneden tot boven zijn alle zalen, kamers en de trapzaal met wenteltrap ontworpen, in neostijlen. Vooral de ingang, de kapel op het gelijkvloers met zijn veelkleurige minutieuse wandversieringen en de trapzaal met de beelden van de belangrijkste figuren van Middeleeuws-Vlaanderen zijn indrukwekkend. Beneden was en is er nog steeds een grote zaal met podium. De hele eerste verdieping bestond uit één verzameling boeken, oude munten, kruiken uit de 16e en 17e eeuw, schotels, Venetiaans glas, porselein en wapenrustingen.

Na verbouwingswerken (tempel, kapel, bibliotheek, archieven, werkkamer, salon, feest- en eetzaal) door architect Ferdinand François Dierkens (Gent 1856 – Gent 1936), die o.a. ook het feestlokaal van Vooruit (1911-1914) bouwde, nam in 1902 de vrijmetselaarsloge La Liberté plechtig haar intrek in de gebouwen. Dankzij de vruchtbare samenwerking met de Nederlandse vrijmetselaarsgroep “Ritus en Tempelbouw” en na bezoeken aan de maçonnieke werkplaatsen van Leiden, Den Haag, Amsterdam, Utrecht, Deventer, Appeldoorn en Sneek begon men aan de aanpassingswerken van de tempel in de Grote Huidevettershoek.

Sedert 1959 bezit La Liberté, los van al dat pseudo-Egyptisch gedoe uit de 19e eeuw, niet alleen de meest moderne maar ook de fraaiste maçonnieke tempel van België. In de rest van het gebouw werd de keuze van Minard gerespecteerd. Rond de eeuwwisseling werden er nog eens belangrijke aanpassingswerken uitgevoerd en werd er in de achterbouw o.a. een nieuwe trap en een lift geplaatst. Op het einde van de 20ste eeuw deden ook andere werkplaatsen hun intrede in het gebouw. Het Huis Minard is thans de thuisbasis, niet alleen van La Liberté, maar tevens van drie Vlaamstalige werkplaatsen. Net zoals alle maçonnieke gebouwen en de andere tempels in Gent, is ook dit gebouw niet toegankelijk voor het publiek.

———-

Bronnen:

Ghendtsche Tydinghen 1979 – 8ejg N°3/N°5

Ghendtsche Tydinghen 1980 – 9ejg N°5

Ghendtsche Tydinghen 1981 – 10ejg N°3

Ghendtsche Tydinghen 1952 – 11ejg N°1

Ghendtsche Tydinghen 2003 – 32ejg N°6

Ghendtsche Tydinghen maart-april 2011 – 40ejg N°2

https://inventaris.onroerenderfgoed.be

http://www.minard.be

https://persruimte.stad.gent

Beschrijving van de gilden en neringen der Stad Gent – L. Minard-Van Hoorebeke

Gazette van Gent : 29 maart 1929 – ‘Oudheidkundige Kroniek’ van Van Werveke.