Patershol

In de schaduw van het Gravensteen tref je het Patershol aan. Deze historische wijk ligt afgezonderd ten NW van het stadscentrum en bezit nog een typisch middeleeuwse stratenpatroon dat zich kenmerkt door nauwe doorgangen.

Robert BoxtaeleHet hol van de paters!

gentpatershol

Al ooit gelet op deze blauwe poort in het Patershol? Het is aan deze poort dat de wijk zijn naam te danken zou hebben. Achter deze deuren schuilt namelijk een trap die leidt naar de overwelfde Plotersgracht onder het nabijgelegen klooster. Het werd daarom door de buurtbewoners het “hol van de paters” genoemd, waaruit later het “Patershol” voortvloeide.

Deze stadswijk, verspreidt over een oppervlakte van 5.5 ha, is een compact geheel van oude en historische gebouwen. Circa honderd huizen en grotere gebouwen, vanaf de veertiende tot de achttiende eeuw, zijn aldaar geklasseerd of wettelijk beschermd. Het strekt zich uit vanaf de Geldmunt in het westen tot het Sluizeken in het oosten en tussen de Leie in het zuiden en de Lange Steenstraat in het noorden.

Het vroegere grafelijk domein waarvan in het noorden de gedempte Plotersgracht de grens was (inbegrepen het Gravensteen en het Sinte-Veerleplein), was reeds sinds het einde van de negende eeuw een winterkwartier voor de grafelijke soldaten. Onderzoek heeft sporen van bewoning blootgelegd die teruggaan tot de 12e eeuw. Er wordt aangenomen dat het beroep van lederbewerking (coriari), tot in de 18e eeuw typerend voor deze wijk met de Plotersgracht en de Corduwaniersstraat als referentie, een vroegere activiteit kende die teruggaat tot de 10e eeuw.

Gent 27.05.2013 050Men kan zich nu moeilijk indenken dat het hier nog tot het midden van de 19e eeuw een residentie-wijk was, bewoond door gegoede personen. Vanaf de tachtiger jaren in die 19e eeuw begon het kwartier aan zijn voornaamheid, wat betreft de bewoners, te verliezen. Een soort proletariaat, ingevolge de uitbreiding van de industrialisatie te Gent, kwam er de huizen betrekken. Hard werkende mensen, die als afleiding niets anders hadden dan een druppel en een pint en bij dronkenschap aan het twisten en het vechten gingen. Uiteraard woonden er ook deftige lieden die er een gezonde leute op na hielden.

Het “Patershol” was in eerste instantie de naam van de toegang tot het klooster van de Karmelieten of Vrouwebroers die uitgaf aan de Patersholbrug. De brug lag over de gedempte Plotersgracht tegenover de Rode Koningstraat.

GentPatersholGidovanGentFb

Patershol – Gido van Gent – Fb

Die toegang was nogal donker en redelijk laag uitgevend op een binnenplaats waarbij al vlug het verband werd gelegd met een hol. Na verloop van tijd kreeg de wijk de naam van “Patershol”.

De ontwikkeling van het Patershol is gelinkt aan de evoluties binnen de versterkte grafelijke burcht “Gravensteen”. Het grafelijk kerndomein bestond uit 2 zones. Een eerste gebied rond het Veerleplein-Gravensteen en een tweede zone in het oosten grenzend aan de Plotersgracht.

gentpatersholgeziendoorloopdullegrietginomissiantfbVerder tot aan de Lange Steenstraat behoorde toe aan het ’s Borgravengerechte, een heerlijkheid (landgoed) in leen van de graaf van Vlaanderen.

Op onderstaand plan dd. 1534 zie je het Oudburg castrum of burchtgebied met links centraal het Gravensteen met aan de overzijde van het plein de St.-Veerlekerk. Rechts merk je de Grauwpoort.

gentplanoudburg1534(2)

Gent – plan Castrum (burchtgebied) Oudburg – Gent Schets van een sociale geschiedenis Hans Van Warveke Gent-Stadsarchief

 

404

De Kraanlei – zicht op Leie en Patershol

In 1274 verkocht gravin Margaretha het grafelijke gebied Oudburg aan de stad Gent. Rond de 13e eeuw kwam het gehele Patersholgebied binnen de laat-middeleeuwse vestinggordel te liggen.

Drie omvangrijke bouwwerken beïnvloedden de omgeving van het Patershol nl. het klooster van de Geschoeide Karmelieten gebouwd in 1287,  het Kinderen Alijnshospitaal uit 1363 waar nu het Museum van Volkskunde is gehuisvest en het Drongenhof uit de 14e eeuw behorend tot de Norbertijnerabdij.

Kinderen Alynshospitaal (Museum voor Volkskunde)
Kraanlei – Gent in oude prentkaarten

Steunend op historische bronnen woonden er vanaf de 10e eeuw lederbewerkers op deze plaats. Archeologisch is er sprake van eind 12e eeuw. Ook ambachtslui, kooplieden en herbergiers kwamen zich hier vestigen.

GentPatersholNicoleMarreel

Patershol – Nicole Marreel (Fb)

Gent 27.05.2013 048Huidige straatnamen verraden vroegere ambachten. Zo verwijst de Corduwaniersstraat naar het leder uit Cordoba en de Plotersgracht naar de ploter die het schapenvel ontdeed van zijn wol.  Nog tot de 17e eeuw zouden handbewerkers de wijk bevolken.

Door de rechterlijke activiteiten in het Gravensteen (Raad Van Vlaanderen, College van de Oudburg) telde het Patershol in de 17e-18e eeuw vele advocaten en magistraten onder zijn inwoners. Gent 04.08.2013 009Wat duidelijk is op te maken aan de plaatselijke statige herenwoningen.

De industriële ontwikkelingen deden arbeiders de wijk bevolken. Eind 19e eeuw verlegde de activiteiten zich naar de grensgebieden en de arbeiders verdwenen uit het straatbeeld. Het Patershol verviel in een armtierige buurt van kroegen, bordelen, logementshuizen, verkrotting,  … . Tot aan de 2e wereldoorlog was het Patershol gekend als “rosse buurt” waar o.a. de Rode Koningstraat meerdere huizen van ontucht telde.

Capture d’écran (1225)

kaart Patershol vóór 1870 – persblog.be

 

GentderostewasserantoondeloofFb

de Roste Wasser – Antoon de Loof – Fb

In Gent kregen opmerkelijke figuren al vlug een bijnaam. Een bekend figuur is op 8 november 1879 geboren onder de naam Ernest de Vriendt. Hij was gekend als “De Roste Wasser” die aan de Dampoort in de Schoolstraat een wasserij had. Vele klanten van hem waren café- en bardames. “Vive la liberté” en “al wie da geeft es mijne vriend” waren beruchte uitspraken van deze veelbesproken figuur. Het was een zwakzinnige die het wasgoed afhaalde in de rode-lantaarnewijk gelegen nabij het oude Zuidstation. Hij was dan ook gespecialiseerd in lingerie waardoor zijn cliënteel voornamelijk bestond uit dames van de kriebelmuitjes en andere kaberdoeskes.  Zomer en winter liep hij blootshoofds en zonder overjas. Hij was veelal gekleed met een gestreept katoenen ondervestje. Onder de arm droeg hij steeds een wasmand met een blauw en wit stuk goed toegedekt. Tijdens wereldoorlog II is de sukkel nog opgepakt geweest door de Duitsers voor zijn “Vive la liberté”-geroep.

Capture d’écran (1328)

gentpatersholHet Patershol was een volkse buurt waar al vlug iedereen een roepnaam had. Dikke Mie, Schele Tseef (die zag altijd zijn neus staan), de Maandagvechter, Loele de Vuilbak en Pierrot den Dief, Pierke Loge (kon goed zingen en sliep in een ijzeren ton), Tjeefke de Groenselman (woonde in het huidige ‘Klokhuis”), Keie Bijtarge (gaf haar minnaars steeds een beet in het oor), Dikke Tiete Borée (had grote borsten), Tseef de Zot, Pier de Marokander, Schieve Theo, Ana de Boerine, Mie Felo, Rachel het Groothooft, Car de Zot, Jerom den Duim, Kamiel Den boer, Vuile Julia, Kromme Clarisse, de Chakossedief, Mie de Snuifneuze, Kamiel de Meuleneerfreeter (was schilder en at meikevers op die kinderen vingen voor 1 frank, wat toen veel geld was) en de familie Tiens (grootvader had grote tenen), Frans de Koolmarchand, de Kapstokken, Maria Stoofhoutwijveke en Dikke Loeze.

Capture d’écran (3086)Om af te sluiten bij Mijnheer Bastien, de meubelhandelaar. De titel van mijnheer verdiende hij door het feit dat hij twee jaar langer naar school was geweest dan de doorsnee bewoner van het Patershol. En hij praatte ook beschaafder Gents. Bij mijnheer Bastien kon iedereen terecht voor hulp met documenten of formulieren … zijn vergoedingen had hij wel graag in natura. Door zijn intellectueel peil kreeg mijnheer Bastien de titel van deken van de gebuurte.

capture-decran-2455

Uit een politierapport (1955)

Capture d’écran (2340)Destijds een zeer berucht kwartier van het stadscentrum dat nu nog op zijn vroegere roem leeft, maar waar alles nog niet rooskleurig noch zuiver is. Dit kwartier omvat 9 straten en wel Rodekoningstraat, Plottersgracht, Corduwaniersstraat, O.L.Vrouwstraat (nu Karmelietenstraat), Ballenstraat, Vrouwenhoekstraat (Vrouwenbroersstraat), Zeugsteeg en Haringsteeg. Het Patershol wordt bewoond door 970 mensen die naar de mentaliteit een soort grote familie uitmaken. Het leven is er uiteraard een broeinest van criminaliteit. De meeste mannen zijn er beroepsdoppers, veel huwelijken zijn slechts schijnhuwelijken en de grootste handel aldaar bestaat in kroegen waar machtig veel gedronken wordt, door de mannen die er vrouwen van hun allooi ontmoeten. De moraliteit is er zo laag dat de door driften opgezweepte mannen niet aarzelen in aanwezigheid van minderjarigen of kinderen geslachtsverkeer te onderhouden met een of ander vrouw. De kinderen hebben er hetzelfde lot als in ‘t (Onderbergen) Pand en zoals deze zijn ze meer dan vroegrijp, zelfs overrijp. Vandaar dan ook vele vroegtijdige huwelijken, gevolgd door even rap uiteengaan van de gehuwden, die met een andere voorlopige levensgezel het leven voortzetten. Buiten den ‘dop’ doen de mannen alle soorten van kleine duistere zaken die het normaal licht niet mogen zien en die wat opbrengen. Al de woningen uit Patershol, op enkele uitzonderingen na, zijn oude huizen of liever huisjes die dienen tot twee of meer gezinnen. Deze huizen hebben weinig comfort. Zo vindt men een w.c. voor een gans ‘koertje’ of een kraantje drinkwater voor een ganse straat en het onderhoud der logementen is er zeer slecht. Men vindt huizen waar ware kolonies samenwonen of er verblijven. De keuken is er de gewone verzamelplaats.

Capture d’écran (3087)Zo wordt me geciteerd dat in een keuken van circa 12 m² ‘s morgens buiten het meubilair (niet te bepalen ouderdom zowel door gebrek aan zorg als door sleet) een zevental personen meer of min gekleed rond een tafel met een blad van onbepaalde kleur zaten te eten of te roken plus enkele rond een Leuvense stoof gehurkt, deze allen sprekend en lachend en ongestoord door zes kinderen, waarvan een in een wieg, die de grond als speelterrein en tafel hadden. ‘t Was vergadering alvorens naar de ‘dop’ te gaan en dit gebeurde elke dag. De slaapgelegenheid in die holen beperkt zich tot een of twee kamers waar alles maar door een slaapt. De moraliteit van die mensen is zeer primitief en ze deinzen er niet voor terug voor zedenschennis, die in hun ogen toch geen kwaad is. Een onderzoek geleidt door de B.O.B. bracht aan ‘t licht dat een man zijn minnares verplichtte jonge meisjes op te sporen, ze naar zijn kamer te leiden waar hij naakt op bed lag. De meisjes die allen minder dan 12 jaar moesten zijn, dienden ‘Tsjieles’ geslachtsdeel te bewonderen en Stance (het lief) diende aanwezig te zijn. Nadien werden de meisjes door Tsjiele afgelikt en op ‘t zelfde ogenblik had Stance, die voor de gelegenheid alle klederen had uitgedaan, geslachtelijk verkeer met Tsjiele (Tsjiele was circa 35 jaar oud en zijn ‘Stance’ 30 jaar). Zoals in ‘t (Onderbergen) Pand vindt men op de kerfstok van deze bevolking alle mogelijke inbreuken sinds meer of min lang gepleegd. Ze zijn te betrouwen, zoals men in Gent zegt, zolang men ze goed in ‘t oog heeft. Diefstal is er een normale industrie, zonder dat dit gaat tot diefstallen met verzwarende omstandigheden.

Het “Aktieplan Patershol”, gestart in 1980, zal net als bij het Gravensteen zorgen voor een algehele transformatie van de wijk die zowel de toerist als de inwoner van Gent tot grote tevredenheid zal stemmen. Reeds in 1968 had architect Jean Zerck in zijn eindproject als student een herwaarderingsplan voor het patershol opgemaakt. Dit plan stond als patroon voor de ontwikkeling van stadswijken met een historische achtergrond. Het zal mede aanleiding geven om in 1982 het Patershol als eerste herwaarderingsbebied te kwalificeren. Hierdoor bleef het geschiedkundig karakter behouden gepaard met een algemene modernisering van de woningtoestand. Waardoor gezinnen uit de midden- en bovenklasse zich terug in het Patershol konden settelen. Natuurlijk bracht dit een waardestijging van de woningen en de wijk met zich mee waardoor vele inwoners verhuisden naar sociale woningen.

Capture d’écran (2819)

Heden is het aangenaam kuieren door de opgefleurde straatjes waar het middeleeuwse gebeuren, met het accent op Bourgondisch, wordt opgesnoven in restaurantjes en café’s.

De “Patersholfeesten” tijdens het 2e weekend van augustus nodigen alvast uit tot een origineel vermaakweekendje voorzien van de nodige culturele en muzikale afleiding.

Wie waren daar de gekende volkstypes?

Loele de vuilbak, ze scharrelde in de vuilnisbakken van het ganse kwartier, alles kon haar dienen. In de Plotersgracht, destijds in een huis met nummer 19, woonde Dikke Mie alwaar ze een “spekkenwinkel” (snoepen) openhield. Ze verkocht er hanepietjes (kleine suikerbolletjes in allerlei kleuren in een lang en zeer dun blinkend gekleurd papieren zakje), babbelaars, zuur-en-zoetjes, tsoezen, muiletrekkers, windbollen, zwarte en eetbare rekkers (ook kijsebanden geheten), gomkens, kirmellen, kolissenheit (heit=hout) en kolissenbruut, tsoepkens. Iedere soort lag op een afzonderlijk teljoortje, die allen op een tafeltje stonden of op een laadje aan het straatvenster. Onnodig te zeggen dat die zoetigheden ’s zomers duchtig het bezoek kregen van vliegen, bijen en soms mieren, maar men nam dit er maar bij. De katrien-en confituurspekken bevonden zich in een bokaal of blikken doos. Uitzonderlijk waren er soms ook appeltsoezen. Reeds voor een half censeke of triepken (één centiem), maar dit waren dan de allerarmsten, kon men er bediend worden.

Zulke winkeltjes waren eldorado’s voor de schoollopende jeugd uit de lagere klassen ! Ik herinner mij nog dergelijke winkeltjes onder de toren van Ekkergemkerk, bij Mietse de Duuve, aan de hoek van het Sint-Martinusblindeken, Korlie in de Wintertuinstraat en Kattezieke in de Ekkergemstraat tegen de Raas van Gaverestraat. Deze laatste, een ongehuwde vrouw van midden de vijftig in die tijd, verkocht “krullekens” een soort katrienspek, zeer smakelijk, door haarzelf gemaakt en door gans Ekkergem gekend. Het stonk in haar winkel hard naar kattepis, vandaar haar bijnaam. Maar deze geur was geen hinder voor de kopers. Die tijd is lang voorbij.

Naar Roghes schrijft in Vooruit van 12/13 februari 1972 woonde er in het Patershol een Menier Bastien. Hij speelde er de aristokraat en was immer als een grote heer gekleed. Hij was geleerder dan zijn omgeving, vandaar de titel “Menier”, en deed allerhande schrijfwerk voor de mensen uit zijn buurt. Deze wijze van handelen bezorgde hem klandieze in zijn winkel, hij verkocht oude meubels en dito klederen, ook huisgerief, maar verhuurde dit alles ook in bijzondere gelegenheden wanneer de kliënt weinig kapitaalkrachtig was.

De danszaal” ’t Cameliaatje” in de Rode Koningstraat, heeft er de plaats moeten ruimen voor een niet in het kader passend gebouw. Deze imposante woning had een bordes van vier à vijf treden. Op zaterdag-en zondagavond – werd er duchtig gedanst, gedronken en gevochten. Het elektrische orgel had geen rust. De ene “kluit” (10 centimes) na de andere verdween erin, later ging de prijs omhoog en was het meer nl. een “koartse” (25 centimes) tot één frank. Er was daar ook een “buitensmijter”, die aan het begin van iedere dans riep : “Allez vooruit, elk mee zijn slonse” (vrouw.) Deze Cerberus wierp nu en dan, op een hardhandige wijze, de ene of andere onverlaat of woesteling het bordes af, de straat op, waar deze soms zijn roes bleef uitslapen tot de “nachwoaker” er voorbij kwam en hem dan in “den Amigo” of “Rolleken” stak. Vrouwen, die moeilijk werden, konden op geen gunstbehandeling rekenen in” ’t Cameliaatje”.

Het verschil tussen mijn en dijn kon beter zijn in het Patershol, in het bijzonder als de dief dorst had en op zijn “lappe” was (aan de zwier). Sommige dronkaards en vechtersbazen speelden voor baas in die buurt. Hun lichaamskracht gaf hun aanzien en boezemde schrik in aan anderen. In de dertiger jaren heb ik, opsteller van dit artikel, er aldaar meerdere gekend toen ik als jonge politieman, met de witte helm op, dienst deed in het PatershoL De “Tiens”, twee broeders, de oudste “de Schele” en ”Tseef de jongste”. Ze reden de stad rond met een grote hondekar om vodden en beenderen op te halen. De kar reed veelal scheef wanneer de bestuurder wat te diep in het glas had gekeken. Kort vóór de laatste oorlog, op een zomerdag, sprongen beiden onder de invloed van de drank en als weddenschap voor een “pinte”, vanaf het kolenschip van Titelboom aan de Kraanlei in de Leie. Ze zwommen onder de Vleeshuisbrug tot achter de vismijn in de Lieve. Politie en brandweer werden verwittigd. Aan de Sint-Widostraat, ter hoogte van de watertrap, wilden de ”Tiens” op vaste grond komen, dit ging niet goed gezien de modder en de brandweer stak hun een ladder toe ! Eens aan land werd het vuil van hun klederen en aangezichten afgespo-ten. Ze hadden hun weddenschap gewonnen maar een proces-verbaal opgelopen en ook de kosten van de brandweer kwamen erbij. Voor hun een kleine bekommernis want de boete betaalden ze niet. Ze gingen liever gaan “zitten” (gevangenis). Dit was maar één der streken van beiden. De “Tiens” waren ruziemakers en spotters.

Lange Mon en zijn broeder waren ook “voddenrapers”, men noemde ze de ”Duims”. Ze waren geen goede vriendjes met de ”Tiens”. Ook waren ze minder hevig in hun “esbatementen” dan de ”Tiens”. Pierke Logé was een klein persoontje, twee koffiekannen hoog zoals gezegd wordt, maar die geweldig kon drinken. Hij sliep soms in een grote ijzeren ton, zoals Diogenes van Sinope, de Griekse wijsgeer het circa vierentwintighonderd jaar vóór hem deed. Wanneer hij een politieman zag dan moest hij vechten en gebruikte dan zijn kloefen als wapen.. Jules, een groot persoon die wat van boksen afwist, dronk graag en begon vervolgens te vechten. Iedereen uit de buurt was bang voor hem. Hij vroeg soms aan de buren vijf frank voor een “inbrekerken” hij bedoelde daarmede glazen bier. Plots stopte hij met drinken en werd een deftig burger, hij was een goed stielman. Niettegenstaande zijn gedrag had die man een goede in-borst.

Ik gedenk hier de heer Lampaert, reeds een 6-tal jaren overleden en oud-inwoner van het Patershol, voor inlichtingen over meerdere Patersholtypes.

Tseef de groenselboer, hij dierf soms ook wel eens te diep in het glas kijken, maar deed veel voor de kinderen uit de buurt. Blodie de Kelebijterigge, als ze dronken was moest ze ruziemaken en vechten, dan trachtte ze in de keel te bijten van haar tegenstander( ster). De Maandagvechter, iedere maandag of bijna vocht hij, anders voelde hij zich niet gezond ! Een bejaarde oud-kleerkoper uit de Vrouwebroerstraat lag op sterven en de pastoor kwam bij hem met het Heilig-Oliesel voor de berechting en zalving van de stervende. Toen dit gedaan was kon deze laatste zich niet houden te zeggen tegen de priester : “dat hij nog de oude kiederkast diende te betalen, die hij bij hem had aangekocht”. Daar waren nog “Tiete Borée”, die gewoonlijk niet wist wat van hem of een ander was. Op zekeren dag verdween hij naar Frankrijk en werd hier nooit meer teruggezien.

Neven het kolenschip van Titelboom in de Leie, aan de Kraanlei, lag ook dit van Claus. De inwoners uit het Patershol en omgeving gingen een zak kolen kopen (50 kgr) aan die schuiten en droegen dan hun vracht op de rug naar huis. Claus had twaalf in leven gebleven kinderen. Toen het scheepje uitverkocht was, diende de man naar de Borinage te varen om opnieuw kolen in te slaan. Zijn vrouw en een paar van haar oudste kinderen trokken de ledige boot tot daar en geladen terug ! Claus boomde, met een boom in ondiep water, zijn vaartuig die ganse tijd. De laatste jaren gebeurde dit met een sleepboot.

Van de heer Adolf Bayens, destijds gekend in het Patershol onder de bijnaam “Slappen Dolf”, gezien zijn fiksheid en vlugheid eri van zijn vrouw Rosa, kreeg ik onlangs nog info over interessante types en meerdere foto’s. Slappen Dolf en zijn vrouw, deftige en destijds hardwerkende mensen die vijf kinderen hebben grootgebracht, wonen sinds lange tijd niet meer in het Patershol.

In de Trommelstraat, in een ruimte achter een laag poortje, dat deel uitmaakt van het gewezen Karmelietenklooster, werkten kolenbranders die er houtskolen maakten. In één der huisjes onder het gewelf door, dat waarschijnlijk zijn naam gaf aan het Patershol, woonde een huurder en had er zijn bedrijf. In de Hertogstraat was er een afspanning “In den Prins-Kardinaal”.

Tseef den Zot liep de herbergen af, als leurder, met wittink (wijting), een gedroogde en sterk gezouten vis (kwestie van erna veel te moeten drinken) en zo hard als een been. Ook verkocht hij “kroakamandels” (in vet gebakken erwten of linzen, harde en zachte) en noten. Marcel de Pistolet deed hetzelfde maar dan met pistolets (kleine, ronde broodjes) belegd met kaas of hesp en veel mostaard van Tierenteyn. Pier den Dief was een vleeshouwer. Hij wierp het vlees en de charcuterie op de weegschaal, welke op die wijze vlug en hard doorsloeg zodat de kliënt nooit het gevraagde gewicht had, alhoewel het de indruk gaf van een meergewicht.

Schele Car (Oscar) reed rond in de stad met een stootkar en hond voor het ophalen van vodden en beenderen. Bij gelegenheid dreef hij ook handel in oude meubels. Mène (Germaine) deed hetzelfde. Tot kort na de tweede wereldoorlog werd de herberg “In de Hel”, het huis ‘ ‘De Fluitspeler” aan de Kraanlei hoek Rode Koningstraat, opengehouden door Dikke Pier geholpen door zijn vrouw “Dikke Yvonne”. Ze wogen samen minstens 250 kilo en hadden dan ook een speciaal bed laten maken. Verder waren daar nog: Gust de Vuilokke, Heine Meire, Zwarte Karel, Louis den Dief, de Krekel, Jan de Stoelbieze, den Knots, Leentje, den Boer, Rosten Tuur, en nog anderen.

Bij karnaval en “Gentse Feesten”, doop, eerste kommunie … nu zegt men plechtige trouw en “primus”, dit laatste gebeurde soms ook wel eens, was er veel leute in de bevlagde steegjes van de wijk. De jolijt vierde er hoogtij. Hun alledaagse twisten terzijde gelaten, voelden de bewoners zich iets verbonden en zouden nooit hebben nagelaten elkaar te helpen en te steunen. Ze waren niet slechter noch beter dan in de andere volksbuurten van Gent. De huidige dekenin is mevrouw François Claus, Hertogstraat 19, schoondochter van de gewezen “koolmarchand”, die een vijftaljaren geleden is overleden. Naar ze me verklaarde heeft de dekenij, momenteel, geen bedrijvigheid meer sinds één jaar.

Nu is er een gans andere bevolking, jonge mensen, die niet meer geneigd zijn hun geldelijke bijdrage, als inwoner, voor het inrichten van feestelijkheden, te betalen. De Patersholfeesten verdwijnen bij gebrek aan fondsen. Kan het stadsbestuur hier iets doen ? Maar ….. de huidige geldelijke toestand !

Alfons DE BUCK – 1984

————–

Bron figuren Patershol : Facebook : “Ge zijt van Gent als ge … “

Stadswandelingen in Gentse buurten – Gentse buurt- en aktiegroepen vzw

Ghendtsche Tydinghen 1973 – vol2 nr7-8

Ghendtsche Tydinghen 1984 – Vol13 N°3

Ghendtsche Tydinghen 2017 – Vol 46 N°4-5

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.