Ekkergem

Wanneer van Ekkergem gesproken wordt, zegt men soms : de parochie van de “Schieve Tore”. Die toren is er van 1509. Er wordt nu nog verteld dat de bouwer eraf sprong toen hij zag dat hij niet gans recht stond. Deze wanhoopsdaad zullen wij voor rekening van de legende laten. Het overhellen zal wel later gekomen zijn, ingevolge de zuidwestenwind en het uitdrogen van het gebinte van de spitse naald.

De personen geboren op Ekkergem worden tot op heden de “Koolkappers” genoemd. Dit vindt zijn oorsprong in het feit dat hier steeds veel groententelers waren. Op de plaats van de Coupures was vroeger het Kolenveld, een deel van het Bijlokeveld. Het was goede grond en de kwekers uit 1751-1753 zagen hem met veel spijt voor hen verloren gaan bij het graven van de Coupure. Rode en andere kolen werden er geteeld. Dit is de oorsprong van de bijnaam. Bij het oogsten werden de kolen van de stengels gekapt. Tot het einde van de 19e eeuw en begin 20e eeuw, had Ekkergem een landelijk karakter. Begrepen binnen de stadswallen van Hembyse, waren er vele niet bebouwde plaatsen, waar aan tuin -en zelfs aan landbouw werd gedaan. Vele molens staken er hun wieken in de hoogte.Zij hadden soms curieuse namen door de Gentenaren gegeven, zoals Wispelberg, Papegaaimolen, Rode Roe, Vestmolen, ’t Bijlkin, de Bysserigge, de Kokerigge, de Backerigge, enz. Op Einde Were, kant Malem, werd in 1785 door Frans Pilsen, de eerste papiermolen uit onze streken opgericht. Die kant was gkend als: “Aan de papiermeulens”.

Menig bloementeler en tuinbouwer hadden in Ekkergem hun bedrijf. Het meerendeel opgestart in de 19e eeuw. Namen als : Baumann, Beyls, De Coninck, De Cuyper, De Vriesere, Lanckman, Spae, Bassijn, enz. waren er goed gekend. Op de zuidhoek van de Coupure-rechts en de Akkerstraat stond de herberg “Frascati”, gehouden door de herbergier-bloementeler : Lanckman. Daar werd op 8 oktober 1808 de “Société d’Agriculture et de Botanique de Gand, département de l’Escaut” gesticht. Reeds op 6 februari 1809 werd in Frascati een eerste plantententoonstelling gehouden met een 40-tal planten. Hier zijn de beroemde Floraliën van Gent begonnen. Door gebrek aan plaats verhuisde de maatschappij naar de zaal “Flora”, in de Holstraat waar in 1815 reeds een expositie plaats had met een duizendtal planten. Opnieuw gebrek aan plaats en in 1836 ging de expositie door in het “Casino” op de Coupure met meer dan vijfduizend planten. In 1843 kwamen er Koning Leopold I met de koningin en een paar jaren later koningin Victoria van Engeland op bezoek. Sinds 1913 gaan de tentoonstellingen door in het “Casino” van het Citadelpark. Knaap Simon Van Daele, boodschapper van de maatschappij, gaf ter gelegenheid van nieuwjaar 1811 zijn beste wensen aan al de leden met volgende verzen :

Vrienden van de vreemde arbusten

Die heel groen en liberael,

Komen naer sieur Lanckman’s zael

Van verre afgelegen kusten,

Permetteert aen knaep Van Dael

Dat hij u uyt vollen herte,

Wenscht een nieuw jaer zonder smerte.

Ekkergem heeft steeds een zwak gehad voor de bloementeelt. Wijzen wij erop dat Mgr. Antoon Triest, bisschop van Gent van 1621 tot 1657, te Ekkergem een beroemd en prachtig buitenverblijf “Belvédère” bezat, gelegen tussen de wallen en de Leie tegenover de nieuwe hoofdingang van het militair hospitaal. Daar was een unieke tuin met exotische planten. Mgr. A. Triest stichtte zelfs de vereniging van hoveniers, “St.-Dorothea”. Zij hadden een kapel in de St.-Michielskerk. Maar niet alle bloemenliefhebbers oefenden een vroom beroep uit.

Vermelden we Filip Hamel. Tussen 1775 en 1784 was hij de beul van Gent. Hij had zijn hof op de Coupure. Op 12 mei 1785 verkocht zijn weduwe de planten van haar overleden echtgenoot bij opbod. Zeer gekend als bloemenliefhebber was ook de burgemeester graaf Charles de Kerckhove de Denterghem. Hij bestuurde onze stad van 1857 tot 1881. In de Wintertuinstraat stond zijn grote serre met wandelpaden. Deze serre was de plaats van bijeenkomst van de Gentse “Grand Monde”.

Waarschijnlijk had het landelijk karakter van Ekkergem een invloed toen gezocht werd naar een geschikte plaats voor een gevangenis buiten de stadskom. Op de Coupure, ter hoogte van de Rasphuisstraat, werd in 1772 bij besluit van keizerin Maria-Theresia, de “Maison Centrale Pénitentiaire” opgericht. Het werd door de Gentenaar “Rasphuis” genoemd. Voor die tijd was het een modelgevangenis. Er was plaats voor 2600 gevangenen, verdeeld in acht vleugels. In 1830 verbleven er 1200 gevangenen mannen en vrouwen. In het begin dienden zij verfhout te raspen, vandaar de naam “Rasphuis”. Later ten tijde van Lieven Bauwens, werd er katoen gesponnen en geweven. Bij de afschaffing en afbraak in 1935 waren er nog 513 gevangenen. Op de vrije gronden werden de gebouwen van de toenmalige “Landbouwhogeschool”, thans Faculteit van de Landbouwwetenschappen, Rijksuniversiteit Gent, opgetrokken. De nu nog bestaande gevangenis van de Nieuwe Wandeling werd bij de bouw in 1862 getiteld : “Nouvelle Maison de Sûreté civile et Militaire Cellulaire”; zij heeft plaats voor 262 mannen en 58 vrouwen. Oorspronkelijk was zij bestemd als celgevangenis.

Van Ekkergem wordt wel eens gezegd dat het de parochie is van alle weeën want behalve een gevangenis vindt men er hospitalen en een wezenhuis en is het ook bekend om zijn executieplaats. Vooral het einde van de 18e eeuw begin 19e eeuw en de periode van de 1e wereldoorlog waren pijnlijke momenten uit een recent verleden. Na de maatregelen van Jozef II in 1784 tegen de kloosters, viel men in 1794 met de Fransen van de regen in de drop. Zij hielden lelijk huis in onze religieuze instellingen en ook Ekkergem ontsnapte er niet aan. De kerk werd voor de godsdienst gesloten. Het klooster van de Victorienen van Deinze dicht tegen het Domus Domini en dit der Annunciaden, in de straat met dezelfde naam, werden opgeheven. De oude H. Bloedkapel, staande aan de vierweegse tegen de huidige Heilig Bloedstraat, een kapel waar mis werd gelezen en waar aanroepingen werden gedaan tegen de koortsen, werd in 1799 als nationaal goed verkocht en door de verwerver afgebroken.

Met het Concordaat in 1801 kwam er verbetering. De diensten werden hernomen maar alle wee was niet geleden. In 1809 en opnieuw in 1813 werd de kerk als hospitaal gebruikt voor de soldaten van Napo-leon. In 1810 zelfs als hooimagazijn voor zijn leger. De grondige herstelling van de Sint Martinuskerk kwam pas in 1907. Het militair hospitaal was ondergebracht in de gebouwen van het gewezen klooster van Deinze. Met de bouw van het nieuwe militair hospitaal werden, spijtig genoeg, oude panden afgebroken. Rest nog de kloostergang uit de 16e en de kapel uit de 17e eeuw. Deze gebouwen moeten gevrijwaard worden. Thans, we spreken 1974, werd het hospitaal overgedragen aan het Academisch Ziekenhuis van de Universiteit.

Op de wijk zijn er ook meerdere kapellekens. In het beluik “Pakhuis” en op de hoek van de Krijgshospitaalstraat en de Ekkergemstraat hangen verschillende kapelletjes dd 1866 aangebracht uit dankbaarheid voor het eindigen van de grote cholera-epidemie. Te Gent waren 5500 ziektegevallen waarvan 2769 met dodelijke afloop. Tot 1721 had jaarlijks de ommegang plaats vanaf de St.-Stephanuskerk (Augustijnen) naar de H. Bloedkapel te Ekkergem. In 1621 namen de aartshertogen Albrecht en Isabella eraan deel. De “Via Dolorosa” was een kruisweg van achttien staties, die aanving aan de kerk langsheen de vesten van “Einde Were” en de “Nieuwe Wandeling” om te eindigen aan de Brugsepoort. Op het kerkhof stond de St. Annakapel, waar soms mis werd gelezen. Daar stond ook een grote calvarieberg. Op de eerste zondag van juli hield men er de St.-Maartenprocessie.

Als zeer droevige bladzijde uit Ekkergem’s verleden vermelden we de terechtstellingen op de schietbaan van de huidige Martelaarslaan. Als knaap ging ik er naar school. Sommige dagen werden de schoolgebouwen ontruimd te 15 uur daar om 17 uur executies plaats grepen. Veel volk stond dan op de Martelaarslaan, op afstand gehouden door “Feldgendarmes” te paard. Als het karretje vanuit de gevangenis de “Nieuwe Wandeling” opreed en ter hoogte van het samengestroomde volk kwam, steeg het geroep vanuit de massa. De veroordeelden in het celwagentje kregen zo nog een glimp van sympathie van het volk.

Vele oudere inwoners herinneren zich de dagen van het laatste offensief in 1918. Ekkergem ligt namelijk aan de westkant van de stad, dus de kant naar het front toe. Sommige dagen kon men het verre grollen van het artillerievuur horen, uren, soms dagen lang. Reeds kort na het begin van het offensief was het ononderbroken rijden van auto’s, en bussen, die vier à vijf aanhangwagentjes trokken met gekwetste soldaten, zowel Verbondenen als Duitsers. In de bus zaten de minder gewonden, in de wagentjes op twee wielen lagen op berries de zwaar gekwetsten.

Ekkergem is nooit een nijverheidswijk geweest, alhoewel er toch 4 voorname en grote fabrieken stonden die allen verdwenen zijn. Op de plaats genoemd “Groene Vallei”, werkte van 1838 tot 1961 de vlasspinnerij “La Lys”, die tussen de wereldoorlogen en nog daarna ruim 3000 werklieden telde. De gebouwen zijn nu afgebroken en er komt een nieuwe woonwijk. In de “Groene Vallei” was ook, van 1847 tot 1860, de Kruisbooggilde “Sint-Joris”. De leden hielden er hun schietoefeningen. Door de uitbreiding van de fabriek werden de gronden ingenomen en het gild diende een andere plaats te zoeken. Als tweede nijverheid vernoemen we de werkhuizen zoals Van de Kerckhove, van 1826 tot 1934. Hun specialiteit was het maken van stoommachines. Zij fusioneerden in 1934 met S.E.M. Dok te Gent, daar werd de bedrijvigheid voortgezet. Te Ekkergem was het bedrijf gelegen op de Coupure Links. Er was ook een vlas- en jutefabriek nl. De Waele-Rothlisberger, te Ekkergem “het klein fabriekje” genoemd. Toch werkten er zo’n 400 mensen. De bedrijvigheid hield op rond 1960. De fabriek stond op Einde Were,rechtover de kerk, alwaar garage Peugeot is gevestigd (1964 ). Vermelden we ten slotte de metaalwerkhuizen van de Gebroeders Velghe in de Krijgshospitaalstraat. De bedrijvigheid is sinds lang gestaakt.

In deze fabrieken en werkhuizen werkten vele inwoners van de parochie. Meestal woonden zij in beluiken met pittoreske namen die dikwijls eigendom van de werkgever waren. Zo zijn er de beluiken Koer van Langerock, Mostaardkoerke, Nijperskoerke, Pakhuis, Koerke van de Vier Kolommekens, Str … poortje, Hol van Pluto, (dit laatste is een doodlopende smalle weg, waarin deftige huizen staan), ’t Kerkstraatje, cité Bureau, cité Soenen, cité Van Loo, e.a. Het “Pakhuis” zou voor het nageslacht dienen bewaard te blijven. Dit koerke is gelegen in de Krijgsgasthuisstraat. Het is er stemmig en het biedt veel gelijkenis met het godshuis “Alyn” op de Kraanlei.

De wijk is lang verstoken geweest van openbaar vervoer. Eerst op 9 december 1923 werd de lijn 2 van de stadstram verlengd van de Zonnestraat tot aan de Rozemarijnbrug. Toen de Rozemarijnbrug nog een draaibrug was met scheepvaart op de Coupure, stonden dikwijs vele mensen, in al hun haast, voor de gedraaide brug te sakkeren. Een sleepboot die een 4-tal sleepschepen heel langzaam door de vaargeul van de brug trok was voor die tijd een normale gebeurtenis. Een half uur wachten was geen uitzondering. En wat dan gezegd van een sleepschip, getrokken door drie à vier personen?

In 1954 breidde Ekkergem zich over de Leie uit naar de Neermeersen. Begin werd gemaakt met een nieuw, prachtig en gezond stadsgedeelte. In augustus 1955 werd de Watersportbaan reeds voorbehouden voor de Europese Roeikampioenschappen. De Leiearm werd gedempt en de laatste veerman aan de Overzet, Amedée Dhondt, was werkloos.

Ekkergem was rond de 2e wereldoorlog en later nog rijk aan volkstypes, vrouwen zowel als mannen. Hun bijnaam alleen zegt genoeg. Zo waren er:

“’t Vogelkootje”, wiens woonst vol hing met kooien vol vogels. Hij lustte graag een levende meikever, zeggende “het smaakt lijk een amandel”.

“Schele Jan”, meer dronken dan nuchter, een handelaar in vierderangsfruit.

“’t Pird” (paard), een vrouw met … allure en kracht.

“Mie den Duuvel”, van geen man vervaard.

“Zot Sofietje”, steeds op wandel met een regenscherm.

“Gustje den Barbier”; het was een klein, dik mannetje, jonggezel, die woonde in het “Nijperskoerken”. Hij scheerde de ganse buurt en sneed ook de haren, maar dit laatste alleenlijk op twee manieren nl.ofwel “een tuute” dit was alles af “kale knikker”, ofwel “mee ne frou-frou”, dit was eveneens alles af behalve langs het voorhoofd waar wat haren werden gelaten die dan horizontaal werden geknipt. Meer kon Gustje niet. Was de kliënt meereisend, dan diende hij zich te wenden tot de “coiffeur” in de Ekkergemstraat.

Bijzondere vermelding verdienen ook de paradijzen voor kleine jongens en meisjes zoals de “spekkewinkels” (snoepen). Deze werden meestal opengehouden door alleenstaande vrouwen. Gekend waren :

Mietje de Dove, tegen de kerk.

Korlie, Coralie in de Wintertuinstraat.

Mietje Kuste, in een beluik van de Bijlokevest. Kusten zijn de harde kanten van de peperkoek die na het bakken worden verwijderd.

Kattezieke in de Ekkergemstraat. In haar winkel rook het sterk naar urine, zij was ongehuwd en hield er een resem katten op na. Haar spekken “krulletjes”, een soort “Katrienespekke”, waren zeer gezocht en lekker, misschien wel wat doordrongen met de geur van kattenurine, maar dit was geen bezwaar voor de kleine kliënten. In de winkeltjes, lagen de spekken op teljoortjes (bordjes), de kusten kwamen uit een mand. Reeds voor een “triepken”voor 1 centiem kon men bediend worden.

Een heel wat voornamer figuur vóór de eerste wereldoorlog was politiecommissaris Taets van de 11e wijk, waartoe Ekkergem behoorde, westelijk van de Coupure. Hij was een groot en stevig gebouwd man die eerbied afdwong van de woelmakers en de “boaildeliggers”; dit waren meestal niet-werkende mannen, die de ganse dag, ter hoogte van de draaibruggen op de Coupure, met de armen op de “boailde”, de ijzeren borstwering aan het water, lagen. Wanneer Taets een “tour de section” deed met de wandelstok in de hand bleven zij hem eerbiedig uit de weg. Toch was hij zeer volksgezind en de spelen op Ekkergemkermis konden steeds op zijn tegenwoordigheid rekenen als jurylid.

Onder de zeer verdienstelijke “Ekkergemmenaars” verdienen ook de volgende een plaats op de erelijst.

Constant-Olivier D’Hossche, geboren in 1811. Hij was stichter-eigenaar van de zwemkom naar zijn naam, gelegen aan “den Overzet”. In gans de stad was hij een beroemdheid : hij had een patriarchale kop, een prachtige baard en een weelderige haardos. Vandaar zijn bijnaam “Pruuke D’Hossche”. In 1839 tijdens de hevige katoencrisis te Gent, speelde hij er een eersterangsrol. Hij was de voorloper van de latere socialistische voormannen in het Gentse. In 1872 werd “Pruuke D’Hossche” door beeldhouwer Karel De Kesel vereeuwigd in het beeld van de Schelde op de gevel van de “Oude Vismijn” aan de St.-Veerleplaats. Na zijn dood en tot aan de overname door de stad van zijn zwemkom gaven zijn beide dochters er zwemlessen. Er kon gezwommen worden in de kleine bassijn met drie diepten en in de Leie. Zwemgelegenheid voor knapen was er in de Leie, op de plaats genoemd “het eilandje”. Daar was een gemeenschappelijke kleedplaats en de prijs was adequaat, ongeveer vijf centimes.

Niet minder gekend was pastoor Den Haerynck, geboren in 1846 en van 1893 tot 1933 pastoor van Ekkergem alwaar men van “paster den harinck” sprak. Hij is de bouwer van de huidige pastorie en op zijn kosten eveneens van de school “O.L.Vrouw-Visitatie” in de K.L.Diericxstraat. Hij was populair en deed veel voor zijn parochie. Het hek, dat het voortuintje van de pastorie afsluit van de straat, is in smeedijzer en op een laag muurtje geplaatst. De ingang, eveneens in smeedijzer, bestaat uit twee delen. Op het bovengedeelte van de draaiassen, tegen de muur, is een gesmede haring aangebracht. De pastoor had wel zin voor humor.

Geneesheer Henri Dumont (1850-1923), een ware volksvriend voor Ekkergem. Hij bezocht zijn patiënten steeds te voet. Op het laatst van zijn leven had hij een zeer slepende tred en stootte schuifelend zijn adem uit. Vele arme mensen verzorgde hij gratis. Hij was dokter van de “Bond Moyson”. Hij stierf plots, in de gang van zijn woning toen hij na een ziekenbezoek huiswaarts kwam.

Leo-Michel Thiery (1877-1950) was de pionier van een degelijk biologisch en aanschouwelijk onderwijs. Hij was de stichter van het prachtig “Gentse schoolmuseum”. Aanvankelijk in het Berouw, vervolgens in de St.-Pietersabdij ondergebracht. Hij schreef verscheidene werken, o.a. : Encyclo-pedisch Onderwijs, in 1914; hierin preconiseert hij een nieuwe manier van onderwijs. Hij was ook geoloog en beschreef de grond waarop Gent is gebouwd. Zijn leus was “Labore et Constantia”.

Verdienstelijke geneesheren waren eveneens Dokter Wasteels, een aristocratisch type, en Dokter Maes, een innemend, gemoedelijk man. In de eerste jaren van zijn praktijk bezocht hij zijn kliënten met een zogezegde “doktersfiets”, een rijwiel zonder ketting.

Iedere wijk of parochie heeft, behalve zijn volkstypes en verdienstelijke inwoners, ook zijn eigen kermis en de nodige cafés en danszalen. Tot 1957 viel Ekkergemkermis op de 2e zondag van oktober. Zij was, met de kermis van St.-Pieters en van St.-Jacobs één van de voornaamste van de stad. Er was veel leute en plezier met de dreunende orgelmuziek. Aan de herbergen stak de driekleur uit met aan de vlaggestok een rode kool, dit gebruik bleef nog bestaan tot tussen beide wereldoorlogen. Er waren volksspelen zoals mastklimmen, zaklopen, kruiwagenrijden met een puit op, pap eten, enz. De dinsdag na de derde zondag van october vierde men het sluiten van de Kermis met een kloefkensbal in alle danszalen. Iedereen droeg fraai beschilderde kloefen en er waren prijzen voor de mooiste. Het was ook “de” uitgangsdag van de neringdoeners. Aan danszalen ontbrak het niet. Vernoemen we:

“De Koornbloem” in de Ekkergemstraat.

Van 1820 tot 1847 was er de vergaderzaal van “de Gilde van St. Joris”. Zij hadden er ook hun schietstand. Nadien was er de boogschuttersvereniging “de Korenbloemschutters” gevestigd, evenals de Koninklijke Cyclobalclub “Sport na Arbeid”.

De Philharmonie op de Bisschop Triestlaan was een balzaal met meer standing; zonder halsboord of das, werd de toegang geweigerd.

Mars-da-Been of Boerenhof, aan de kerk in de Ekkergemstraat.

De Oude Achterroos en De Nieuwe Achterroos, beide in de Krijgshospitaalstraat.

De Voorroos en Dua, beide in de Ekkergemstraat.

De Mangelaere in de Hoveniersstraat, nu Koolkapperstraat.

Last but not least : het Spiegelhof, aan de Nieuwe Wandeling, afgebroken in 1902. Het gebouw was imposant en groot. Het bordes was zes tot zeven treden hoog. Een 98-jarige koolkapper vertelde mij dat bij ruzie, en dit gebeurde dikwijls, de woelmakers met geweld uit de zaal werden geduwd door de “buitensmijters” en van het bordes op het voetpad werden geworpen.

Op de kermis werd veel het korte liedje gezongen:

En moeder zit in ’t hof (bis)

en wij die gaan gaan dansen naar het Spiegelhof.

Met ” ’t hof” wordt hier het oudvrouwengesticht bedoeld, soms werd in plaats van ” ’t hof”, ” ’t lof” gezongen.

Iedereen kent op de Coupure tegen de Rozemarijnbrug “Salon Napoléon”, nadien “Café Napoleon”. Het is een stamherberg waar veel biljartkampioenschappen gespeeld werden. Daar vergaderden tot 1874 de oud-soldaten van Napoléon. In voormeld jaar waren er nog vier en toen werd besloten geen verdere vergaderingen meer te houden.

Intussen heeft met de toenemende verkeersmogelijkheden de oude klassieke, wijkgebonden kermis afgedaan. Wel werden in 1945 en 1946 op de Coupure twee schitterende waterfeesten gegeven die duizenden mensen trokken. Sinds 1957 werd de jaarlijkse kermis verlegd naar de laatste zondag van mei of de eerste van juni. Met het openen van de nieuwe wijk en de Watersportbaan werd alles over een nieuwe boeg gegooid en zou de kermis op het einde van de lente gepaard gaan met roeiwedstrijden en waterfeesten, aangevuld met rijwielkoersen en andere sportmanifestaties, met radioserenades en niet te vergeten, in de Korenbloem, met een schieting op de liggende wip. Tevens wordt steeds hulde gebracht aan de monumenten van de gesneuvelden, gedeporteerden en gefusilleerden voor het vaderland. Volksspelen op straat of plein zijn niet meer mogelijk wegens het druk verkeer.

Tot slot volgende gegevens over de “Koolkappersvlag”. In het centrum zit het “Koolkapperken” in een rode kool. Hij houdt in de handen een bierkruik en een kapper. In de bovenhoeken : St.-Maarten en St.-Michael. In de benedenhoeken : Ekkergemkerk en windmolens.

ALFONS DE BUCK

———–

Bron:

Ghendtsche Tydinghen 1974 – Vol3 N°4