Blaisantvest

GentBlaisantvestClaudeFaseur
Blaisantvest/Opgeëistenlaan – Claude Faseur(Fb)

De “Plezante Veste” was een oud afleidingskanaal van de Lieve in 1484 gegraven als verdedigingsgracht aan de rand van Gent. Het was ook  nog gekend als de “Veste ter Voghelenzanghe achter de Groene Briel”, “rempart de Plaisance” of gewoonweg “Veste”.

GentBlaisantevesteJVerplancken
blaisantevest

De naam “Blaisant” wordt gelinkt aan de verdwenen heerlijkheid (gebied van de leenheer) “Blei-sant”. Blaisantvest → Boulevard de Blaisant heeft dus niks gemeen met Plezante Vest → Boulevard de Plaisance. Rond 1735 is er een eerste vermelding betreffende de Plaisant Vest (Stadsarchief, 17e Resolutieboek f°16v°). Niet met de bedoeling de vest als een lustoord te aanzien maar als zijnde gelegen naast de heerlijkheid van Blaisant.

Het was ook als “’t Zand” gekend als één van de vele heerlijkheden in het Noorden van Gent. Zoals de naam Blaisantvest laat vermoeden was het een stadsversterking dat al vlug zijn militaire functie verloor. Bij afschaffing van de octrooirechten in 1860 viel het fiscaal nut ook weg.

GENTblaisantvestlieveoudeleie
Blaisantvest – Gent in oude prentkaarten

11 October 1858. Het schepencollege vestigt de aandacht op de noodzakelijkheid de Blaisantvest tussen de Brugse Poort en de Sassepoort te verlichten. Die weg, tussen twee waters gelegen, wordt ’s avonds door vele werklieden van de talrijke fabrieken gebruikt om huiswaarts te keren.

Reeds op 2 juni 1860 besloot de gemeenteraad de Blaisantvest en de Begijnhofvest te veranderen in lanen. De Blaisantvest van de Tolhuisbrug tot aan het Rabot werd ten noorden begrensd door de stadsgracht en ten zuiden door de Lieve. De Begijnhofvest ging van het Rabot tot aan de Brugsepoortstraat en lag tussen de omheiningsmuur van het Begijnhof en de stadsgracht. Onder het Frans bewind waren de vesten bij het afbreken van de stadsversterkingen slecht genivelleerd waarbij de vorm van een dijk behouden bleef. Het bovenste deel was enkel berijdbaar maar niet overal voldoende breed om het verkeer toe te laten. Om een behoorlijke rijweg te bekomen kan men of wel de dijk afgraven of de zijkanten ophogen. Men besloot de Begijnhofvest af te graven en met de aarde de zijkanten van de Blaisantvest op te hogen. In het rapport lezen we ook iets over het Begijnhof, dat nog omringd was door grachten:

“Le fossé nord-ouest du Béguinage qui longe le rempart sert de réceptacle aux eaux ménagères et aux immondices des maisons riveraines. Ce fossé, sans eau, répand durant une grande partie de l’année des émanations putrides. Il sera remplacé par un aqueduc, haut de 1m 75, large de 0,60 et long de 210 mètres, comblé sur toute cette longueur et incorporé dans la voie publique. Les frais de ce travail sont estimés à 2520 francs.”

Door de uitvoering van deze werken ontstond een weg van ongeveer dertig meter breed en met een lengte van meer dan 1600 m. De gemeenteraad besloot ook een nieuwe straat aan te leggen, gaande van het Elisabethplein tot aan het Rabot, de Rabotstraat genoemd. Alzo ontstond een gemakkelijke verbinding tussen de stad en de Blaisantvest. De Verspeyenstraat en de Van Wittenberghestraat zullen wat later worden aangelegd.

Blaisanteveste anno1902 jverplancken

Na demping van  het kanaal tijdens de periode 1962-1964 bleef nog lang een vijver met voetgangersbrugje, ’t Kemelbrugje (’t Keemolbrugske of “Passerelle du chameau”) genaamd, onaangeroerd het zicht aan de Blaisantvest bepalen. Dit brugje rechtover het straatje van Berouw en ook als “Geuzenbrug” gekend, was een voetgangersbruggetje over de ‘Veste’ of “Nieuwe Lieve” en aanvankelijk een metalen constructie die als noodbrug diende over de Visserij bij de heropbouw van de Lousbergbrug in 1887.

Deze overspanning verbond de ‘Veugolzangkoaie’ (Vogelenzang) met de ‘Plezante Veste’ (Blaisantvest). Het werd gebouwd om het werkvolk uit de Tolhuiswijk via het Berouw en de Spaarstraat naar de fabrieken op de Nieuwe Vaart (Vynckier, Gèsfabrieke,…) te leiden.

Pas in 1949 werd voor de prijs van 483.000 fr. (12.075 €) een betonnen brug geplaatst die op 18 april 1950 in gebruik werd genomen. Bij aanleg van de collectoren in 1980 voor de afvoer van het water naar het zuiveringsstation verdween het laatste aandenken aan dit afleidingskanaaltje.

—————

Bron:

Ghendtsche Tydinghen 1974 – Vol 3 N°5, 1981, 1990

Ghendtsche Tydinghen 1978 – Vol7 N°1/N°4

Ghendtsche Tydinghen 2010 – Vol 39 N°3

Ghendtsche Tydingen 2019 – Vol 49 N° 1

Gentblogt – “Arken” dd. 14.11.2011