Miljoenenkwartier

De St.-Pieters-Aalstwijk heeft een eeuwenlange geschiedenis die teruggaat tot de 7e eeuw. Tot 1795 maakte het deel uit van het St.-Pietersdorp. Vóór 1926 bevolkten voornamelijk arme plattelandsmensen de wijk die hun inkomen haalden uit de verkoop van groenten.

De snelle industriële ontwikkeling in de 19e eeuw zorgde voor een bevolkingsaangroei in het Gentse stadscentrum. Waar de industrie zijn activiteiten geleidelijk aan verlegde naar het oosten en het noorden van de stad zocht de burgerij zijn toevlucht naar huisvesting in het zuiden.

Na de wereldtentoonstelling van 1913 verrees op de vrijgekomen gronden het “Miljoenenkwartier”(Bfr). Zoals de naam het al aangeeft een omgeving bestemd voor de gegoede burgerij voor wie de niet-goedkope bouwgronden geen obstakel vormde. Een uniek concept gebaseerd op een doordacht aanlegplan en harmonieuze bebouwing. In 1905 was er reeds aanvang genomen betreffende de voltooiing van een urbanisatieplan dd. 1899 voor de St.-Pieters-Aalstwijk maar de wereldtentoonstelling gooide roet in het eten.

De inspiratie werd waarschijnlijk gevonden bij een eerdere project genaamd “Bloemenoord Prima Vera” dd. 1917, een verkaveling gelegen Kortrijjksesteenweg, Krijgslaan en Pacificatielaan. Hierbij waren de gronden enkel voor alleenstaande of twee gekoppelde villa’s bestemd, met hagen als omheining. Er was geen plaats voorzien voor drankslijterijen, handelszaken, dancings, cinema’s, etc. Echter, de eerste wereldoorlog verhinderde dit bloemenoordproject door ondermeer een tekort aan bouwmaterialen en  werkkrachten.

In 1926 volgde de goedkeuring van de gemeenteraad voor de aanleg van een residentiële woonwijk met in de zone voor open-bebouwing percelen van minstens 800 m2. Het geheel is aangelegd met een centrale as waarop nevenassen loodrecht of parallel op de hoofdas aansluiten. De rationele opzet werd ook nog eens beklemtoond door de plaatsing van een park en bomenrijen.

Er werd gestreefd naar een continuïteit en eenheid in bebouwing en tuinaanleg. door voor elke straat de aard van de bebouwing vast te legggen met o.a. een max. hoogte van 10.5m, het vastleggen van de opp. van de woningen, diepte van de voortuin, verplichting van smeedijzeren hekken, …  De nadruk lag op het groene, het esthetische en het residentiële karakter. Het proces  van realisatie werd door de stad opgevolgd van begin tot einde. Voorname architecten kwamen er zich dan ook huisvesten.

De wijk is gerealiseerd tussen 1926 en 1940 en biedt een grote variatie aan diverse architectuurstijlen in het interbellum. Vergelijkbaar met het Patershol, weliswaar alle verschillen en omstandigheden in acht genomen, waar op een kleine oppervlakte een sterke concentratie van 17e eeuwse woningen is aan te treffen. Het is dan ook in 1994 erkend als beschermd stadsgezicht omwille zijn artistieke, historische en documentaire waarde.

——————–

Bron:

Ghendtsche Tydinghen 2012 – vol41 n°1