Rosse buurt

Mogelijks is “rosse buurt” ontstaan uit de 9de-eeuwse denkwijze dat kinderen die ter wereld kwamen door “schuldige seksuele omgang” van rosse haren voorzien waren.

Zoals vandaag kenden ook de Middeleeuwen hun typische verstrooiingen en afleidingen. Vooral badhuizen waren toen de “place to be” voor ontucht en vertier. Het onderscheid met bordelen was nauwelijks te omschrijven. In de vele nauwe straatjes brachten “stoven” lichamelijke ontspanning. Een stove was een inrichting voor warme baden wat in de praktijk als een huis van ontucht mocht beschreven worden. Wat ook blijkt uit uitdrukkingen uit de 15-16e eeuw als “Van voren winkel en al achter kwinkel houden” of “Hij houdt vóór stoof, achter bordeel”.

In 1326 stond de Hoefslagstraat in de Langemunt richting Leie beschreven als “in de Stoefstege” alwaar “de Pale” was gevestigd. De huidige Stoofstraat tussen de Recollettenlei en Onderbergen stond in 1350 al beschreven als “vander Stove Steghe”.  De mannenstoof “het Maentje” vinden we terug rond 1492 en vrouwenstoof “de Kraai” in 1511. Wat logischerwijze evolueerde naar gemengde stoven voor “vermaak”.

Toestanden van prostitutie werden in eerste instantie door de vingers gezien. Eenmaal de klachten toenamen zag de stad zich verplicht om in te grijpen. Een eerste schikking tegen “hoererij” werd reeds afgekondigd in 1350. Ook de kerk hield de kerk in het midden en trachtte het minnespel binnen aanvaardbare normen vast te leggen. “De wereld heeft nu eenmaal behoefte aan seksuele verleiding net zoals een paleis een beerput nodig heeft” zou Thomas van Aquino, vermaard middeleeuws filosoof en theoloog, zich laten ontvallen hebben.

Er waren in Gent verschillende Schuddeveestraatjes te bespeuren. Deze verwijzen eveneens naar het zondig handelen. Zoals het huidige verborgen straatje tussen de Graslei en de Korenmarkt of het Schuddevisstraatje aan de Groentenmarkt.

Ook de Garensteeg tussen het E. Anseeleplein en de Vrijdagmarkt was gekend voor verleiding en amuseleute. Tot voor Wereldoorlog II was dit steegje berucht voor onzedelijk gedrag. Aan de Grauwpoort in de buurt van het Sluizeken was er een vrouwenbadhuis gevestigd. In het Oudburg was er “het Muysenhol”, een plaats waar water te verkijgen was en alwaar zich taferelen afspeelden die best bij daglicht te vermijden waren. Ook het Patershol stond tot voor WOII als rosse buurt beschreven. Vooral de Rode Koningstraat met zijn vele huizen van ontucht accentueerde die gedachte. “Het Schaec” in de zin van “het genoegen smaken, in zijn schik zijn”, was te vinden op de hoek van het St.-Widostraatje aan het Gewad dichtbij de haven van de Lievekom.

De Ravensteinstraat in het verlengde van de Korenlei aan de St.-Michielskerk was in 1316 gekend als “in der Hoerendochter strate” (Mnl. hoerendochter=prostituee). Moet het nog duidelijker? Het nabijgelegen Hof van Fiennes, het vroegere “Curte Seertcacstraetken” was het straatje van vermaak voor de havenarbeiders aan de Korenlei. De vrouwenstoof “Ver Trunensteghe” kon men in de 14e eeuw aantreffen in de Hoornstraat aan de Predikherenbrug. In de buurt van de Gebr. Vandeveldestraat was er in de 15e eeuw de mannenstoof “Jint Tesselkin” (tessen=ophitsen). De “Vule Stege” nu gekend als het Schouwvegerstraatje verwierf eeuwenlang een slechte faam mede door het afval dat er werd achtergelaten.

De Nodenaysteeg aan de Veldstraat telde acht bordelen. De aangrenzende Schuurkensstraat telde er vijf. De “Cromme Steghe” (St.-Niklaasstraat) kende een 5-tal prostiutiehuizen.

Aan de overzijde van de Kouter was er de Korte Dagsteeg en de Saghermansstraat met de steegjes in de buurt. Korte Dagsteeg is een vervorming van “Ondadige Steeg” zoals de Saghermansstraat in 1326 werd vernoemd (inder Ondadege Stege) wat zoveel betekent als “misdadig, zedelijke verdorven”.

Een voorname “vrouwenstove” was het “Wandelaersteen” gelegen aan de bocht van de Oude Schelde aan “de Braem-poerte”. In 1383 stond reeds het “Loeve van Wandelaert” beschreven. Het belang van dit badhuis moet groot geweest zijn daar het kasteel de toepasselijke naam “De Stove” meekreeg. Uit het Jaarregister van Gent dd. 29 september 1415: “eene rente up eene vrauwenstove die men eet ’t casteel Wandelaert, staende beneden der braembrugghe up dwaeter neffens Jan oosterlinckx huus up de erve toebehoerende der stad ghendt”.

“Loef” of “Love”wordt in verband gebracht met “lof” of “lover” en stond voor het groen dat het zicht moest ontnemen van de stoofhuizen om zo meer privacy te verkrijgen. Loven waren dan ook heel gebruikelijk voor die tijd en o.m. te vinden ‘ter hoghen poert’ (1366), ‘up de Lieve naest der Augustinen loeven’ (1460), ‘in de Brabantstraete’ (1386), ‘an de Papenstraete’ (1462), ‘ene steeninen love tSanderswalle’ (1462), ‘eene nieuwe love met drien woensteden staende Sanderwalle in de selver straete’ (1469), enz…

Pas eind 18e eeuw zal door de Franse overheersing een “Règlement sur la prostitution” uitgevaardigd worden. De toename van venerische ziektes en een aangepaste instelling van de burger leidde tot het officialiseren van prostitutiehuizen met aangifte van dames van ontucht en medische controle.

In 1856 telde Gent 51 bordelen. Het “Gloazen Stroatje” of Pieter Vanderdoncktdoorgang niet inbegrepen. In 1844 liep deze korte winkelstraat links uit in de Schepenenvijverstraat om in 1886 doorgetrokken te worden richting Vlaanderenstraat. Na de aanleg van de Vlaanderenstraat en het verdwijnen van het Zuidstation begon de prostitutie zich te manifesteren.

Hoe kon je weten waar de meisjes van plezier vertoefden? Bij gelegenheden die de naam droegen van Stove, de Contenast, bij Adam en Eva, de Splete, de Venusheuvel, etc. Ook een Typerend voor een huis van ontucht was een bezem die door het raam stak. Of de groene kleur van het uithangbord of woning. Zoals het Glazen Straatje dat nog altijd in groene kleur is geschilderd! Namen en/of afbeeldingen van dieren of natuur. Een omgekeerd kruis.

De meisjes van ontucht onderscheidden zich van eerbare vrouwen door hun kledij of zoals in Gent het dragen van een rode band op de rechterarm.Als de avond zijn intrede deed liepen ze rond met een typerend licht waar dan ook de naam “lichtekooi” is van afgeleid.

Tijdens Wereldoorlog I werden prostituees door de Duitse overheid in instellingen (Lousberggesticht, Bijlokehospitaal, … ) ondergebracht ter bescherming van de moraal en de fysieke paraatheid van de soldaten. Het Gentse stadsbestuur schafte in 1932 alle bordelen af na voorafgaandelijk het “Règlement sur la prostitution” te herzien wat ook leidde tot de oprichting van de “Bond tegen de zedeloosheid”.

Toch zouden verschillende bordelen hun deuren openen naar aanleiding van Wereldoorlog II. In 1948 volgde de afschaffing van de wet op de prostitutie wat het beroep niet aan banden legde en door gebrek aan reglementering in een onzekere situatie verzeilde. En sindsdien is er nog niets veranderd.

Vandaag is de rosse buurt te herkennen aan de vensterprostitutie met felle lichtpartijen als in het “glazen straatje” of langsheen de Kortrijksesteenweg. Het aanbod aan vrouwen van lichte zeden is door de intellectuele evolutie in die mate toegenomen dat een overzicht moeilijk op te maken is ook al door de verwarde context waarbij een vrouw die graag de liefde bedrijft verschilt van een prostituee.

———-

Bron:

GENT’S VROEGSTE GESCHIEDENIS – Maurits Gysseling

http://www.erfgoedmelle.be

http://www.gandante.be