Plotersgracht (867)

GentLeertouwersgracht

Castrum en Oudburg Gent – Van Werveke H. & AE Verhulst

Le fossé des Corroyeurs. Schitterende Franse benaming voor deze historische waterloop. Rond 867 gegraven en tussen 1870-1872 overwelfd.

Een vroegste verwijzing uit 1361 spreekt over “ligghende jeghen de brugghe over van den Wittebroeders daer de witteledertouwers woenen up de gracht”. In 1369 werd de gracht beschreven als “up der witter leder touwers gracht”.

De leertouwers bewerken het leder nadat het gelooid is. De ploters bereiden vellen van geiten en vooral schapen. Onder ploten verstaan we vandaag nog steeds het plukken van wol bij schaapsvachten. De gebruikte looistof was aluin. Het eindproduct was zeemleer, een soepel en zacht leder. Vandaar ook hun naam zeembereiders, witlooiers of witledertouwers. In de 14e eeuw heette de gracht toepasselijk de Witledertouwersgracht. Zij gebruikten het water van de gracht om de huiden te looien, te behandelen tot bruikbaar leder.

Reeds in de 10e eeuw zou hun aanwezigheid hier waargenomen zijn wanneer er sprake is van “coriarii”(ploters).  Deze zijn in Gent vooral gekend als huidevetters. Zij bewerkten vooral rundshuiden (Lat. coria, F. cuir)  en gebruikten eikeschors als looistof. Vandaar de aanwezigheid van schorsmolens aan de Blaisantvest en de Vijfwindgaten. Het looien gebeurde in de buurt van de Huidevettershoek aan de Schelde. De gelooide huiden waren tot dienst van de koeieschoenmakers. Algemeen mogen we aannemen dat de coriarri van 940 geen ploters maar huidevetters waren.

De Leertouwersgracht in het N-NW omringde samen met de Schipgracht in het NO, de Lieve in het W en de Leie in het Z-ZO het Castrum of Novum Castellum. Het gold als een “communis opinio” dat middeleeuwse steden voortsproten uit een voorafgaande nabijgelegen versterking. De kern vormde de grafelijke burcht waar in de omgeving handeldrijvende personen zich in het portus of suburbium kwamen vestigen. In tijden van gevaar bracht de “vluchtburcht” soelaas.

De leertouwers waren gebonden aan hun woonplaats. Een bron uit 1487 vermeld een mogelijke  verhuis van verschillende leertouwers naar de nabijgelegen Steenstraat. Dat stuitte op het nodige verzet van de buren. Bij het bewerken van de huiden wordt immers beroep gedaan op water uit gemetselde putten. Dat verontreinigde water gaat gepaard met een enorme stank. Wat het protest begrijpelijk en ontvankelijk maakte.

Van de 14e eeuw tot de 18e eeuw bevestigen bronnen de continue aanwezigheid van leertouwers en ploters  aan de Leertouwersgracht. Zij woonden in percelen dichtbij de burcht tussen de latere Plotersgracht en de evenwijdig lopende gelijknamige straat. De Corduwanierststraat die op  haar beurt evenwijdig loopt met de Plotersgracht refereert naar de schoenmakers.

De gracht zelf liep van de Schipgracht of Meerhemkanaal achter de huizen van het Drongenhof om zich ten noorden van het Gravensteen te verenigen met de Lieve. Hij zou ook beschreven staan als de oude Burggravenstroom.

Verschillende brugjes overspanden de Plotersgracht :

  1. de Veirdambrug: Drongenhof
  2. het Patersholbrugje: Rodekoningenstraat
  3. de Kuipersbrug: Vrouwebroersstraat
  4. het Taverniers- of Zeugebrugje: Zeugsteeg
  5. de Burggraven- of St.-Elooibrug: Geldmunt

Nu herinnert de Plotersgracht ons aan de eeuwenlange bedrijvigheden in het Patershol.

—————

Bron:

Ghendtsche Tydinghen 1990

Gent’s vroegste geschiedenis – Maurits Gysseling

Stadswandelingen in Gentse buurten – Olga De Vloed en Patrick Viaene

Castrum en Oudburg te Gent –  H. Van Werveke en A.E. Verhulst

Tussen Vlaanderen en Saksen – ACF Koch