Hoogstraat

De Hoogstraat is waarschijnlijk een verhoogde berm geweest, een dam tussen drassige en moerassige gronden. Ze werd ook wel de “rechte strate buuten der Torrepoorten” genoemd (Weezenboek 1481-1482). De buurt werd verdeeld in Opper-Hoogstraat, Midden-Hoogstraat en Neder- of Korte Hoogstraat. De Opper-Hoogstraat liep van de Torrepoort tot aan de Peperstraat. De Midden-Hoogstraat lag aan het “Rijke Gasthuis” en ging van de hoek van de Peperstraat en Holstraat tot aan de Akkerstraat. De Korte Hoogstraat ging van de Akkerstraat tot aan de Brugse Poort.

Ramen en de Hoogstraat waren gelegen buiten de omwalling, “buten der Turrepoorte” of “buten Turre”, zoals men zegde.

In de 14de-15de eeuw was de Hoogstraat verre van volledig bebouwd. Volgens het Weezenboek over 1369-1370, lag er terzijde van het Hogehuus een meers van 722 roeden en een ander van 412 roeden. Het “Hoghe Huus” was een vrij groot gebouw waar in de loop van de l4de eeuw de familie Goethals woonde. Een lid van die familie, namelijk Hendrik Goethals werd in 1358 vermoord. De schuldigen werden door de schepenen veroordeeld tot een boete van 50 pond. Die Hendrik Goethals werd in een oorkonde van 1349 “Hendrik Goethals an den turre” genoemd, wat dus duidelijk verwees naar de plaats waar hij woonde, in de omgeving van de Turrepoort en laat veronderstellen dat hij als zodanig algemeen gekend was. De man stond blijkbaar goed aangeschreven want nadat hij vermoord werd, las men over hem in het Zoendinckboek van 1359: ” … Heinriek Goethalse up ’t Hogehuus, die een puur onsculdich man was … “. Hij viel echter als slachtoffer van een vete tussen begoede geslachten, wat in die tijd geen zeldzaamheid was.

De oude herenwoning “het Hoghe Huus” werd in de loop van de 16de eeuw eigendom van J. Verrekins, een kruidenier, die het pand op zijn beurt in 1583 verkocht aan H. Eeckman. In 1630 behoorde het toe aan A. Van Daele en was het belast met een rente van 20 deniers ten voordele van de quotirliane van de St. Jacobskerk.

Eveneens in de Opper-Hoogstraat, dus tussen de Ramen en de Peperstraat, lagen de brouwerij “ten Vaenkine”, vermeld in een Schepenacte van 1368, evenals “t Lammeken” brouwerij in de 15de-16de eeuw: “Een brauwerije … gheheeten tLammeken, metten lochtinghe .. . buter Turrepoorten up de Hoochstrate … achter uutcommende met eender poorten jnt straetkin mer Symoens de Lalaing huus was” (Act.en Contr. 1484-1485).

Er waren aan de noordkant van de Hoogstraat toch nog andere panden dan brouwerijen. Daar woonde immers ook in drie naast elkaar staande gebouwen de familie Bertili. In een ervan verbleef Frans Bertili, kolonel in dienst van de Venetiaanse Republiek. In de loop van de 17de en het begin van de 18de eeuw behoorde de woonst van Frans Bertili achtereenvolgens aan verschillende eigenaars. In 1724 kwamen het huis en de tuin in het bezit van Olivier Reylof, in 1684 in Amsterdam geboren en wiens vader een Gents koopman was. Hij studeerde en woonde te Gent. In 1724 liet hij eveneens aan de Hoogstraat een prachtige herenwoning bouwen die wij heden ten dage nog steeds kennen onder de naam “Hotel Reylof”. Op bijgaande foto ziet men het ontwerp zoals het werd opgemaakt bij het indienen van de bouwaanvraag voor deze stijlvolle woning. Het ontwerp werd door het Stadsmagistraat op 18/9/1724 aanvaard en goedgekeurd. Met zijn buitengewoon sierlijke en zeer evenwichtig geconcipieerde gevel gold het als een van de schoonste gebouwen in de Lodewijk XIV-stijl in onze stad.

Zoals we het Hotel Reylof nu kennen, is de gevel evenwel minder breed dan hij oorspronkelijk was. Hij telt nog slechts zes in plaats van acht traveeën. In de loop van de tijd zijn aan de linkerkant van de gevel twee traveeën verdwenen die werden ingenomen door het ernaast gelegen gebouw. De gevel heeft er wel aan symmetrie bij ingeboet. Het Hotel Reylof blijft on-tegensprekelijk één van de mooiste herenwoningen in onze stad en staat te boek als een “beschermd monument”.

Ook andere grote mooie woningen uit vroegere bouwperiodes aan de Hoogstraat gelegen hadden en hebben nog een achterbouw, een uitgang en een poort in de Brouwersstraat. Zoals voor de monumentale woningen met bepleisterde en hoog versierde gevel (nrs. 34, 32, 30), een kelderverdieping, drie bouwlagen en vier traveeën tellend. Het geldt eveneens voor het huis (nr. 28), met gedecapeerde gevel in rode baksteen, 19de eeuws, drie en een halve bouwlagen en vier traveeën. En de woning met bepleisterde gevel, drie bouwlagen en zes traveeën, aan het nr. 20 in de Hoogstraat. Aanvankelijk had deze woonst, die een zeer oude kern gehad heeft (17de eeuw), slechts één verdieping. Later in de loop van de 19de eeuw (bouw mei 1829) is er een tweede verdieping bijgekomen en werden de vensteropeningen op de eerste verdieping veranderd en afgerond. In de zeer mooie en grote tuin met afhankelijkheden, dienstgebouwen en stallingen, staan nog de overblijfselen van de oude herberg “’t Lammeken” ( 15de-16de eeuw) waarover we het gehad hebben.

In 1731 werd Reylof ontvanger van de Stad benoemd en alhoewel zijn financiële situatie daardoor wel eniger mate verbeterde, kon dit nochtans niet beletten dat hij er zich in 1736 toe verplicht zag om de prachtige woonst aan de Hoogstraat openbaar te laten verkopen. Nieuwe eigenaar van de patriciërswoning werd Jozef Veranneman, heer van Burst en Van Bambrugge. Het fraaie gebouw werd in 1764 verkocht aan W.J. Hamelinck, griffier van de Raad van Vlaanderen. Inmiddels was Olivier de Reylof in 1741 overleden. Op het einde van de 19de eeuw was de woning eigendom van de heer A. Wauters om daarna in handen te vallen van advokaat Ronse.

In 1961 werd ze door de Luikse Verzekeringsmaatschappij, die er eigenaar van geworden was, met veel zorg hersteld en gerestaureerd waardoor ze haar oorspronkelijke praal voor een groot deel terugvond. Rond 1994 waren in het Hotel Reylof de diensten ondergebracht van het Ministerie van Financiën-Administratie van de BTW – Registratie en Domeinen. De gevel is evenwel minder breed dan hij oorspronkelijk was. Hij telt nog slechts zes in plaats van acht traveeën. In de loop van de tijd zijn aan de linkerkant van de gevel twee traveeën verdwenen die werden ingenomen door het ernaast gelegen gebouw. De gevel heeft er wel aan symmetrie bij ingeboet.

Aan de hoek van de Ramen en van de Poel verdween in 1841 de nog resterende toren van de Turrepoort. De Torenbrug of Torenpoortbrug werd in de loop van de tijd verbouwd. Ze werd achtereenvolgens in 1865 verbreed, in 1882 hersteld en werd tenslotte na de demping van de Houtlei afgeschaft en verdween. Op de foto een laatste fase van haar bestaan, met links de Hoogstraat en de ingang van de Ramen. Zie het verschil met de hogervermelde afbeelding van de oude Torenbrug.

———-

Bron:

Ghendtsche Tydinghen 1994 – Vol23 N°2