Drabstraat

De architecturale rijkdom van Gent is indrukwekkend en komt vooral tot uiting in een aantal grote monumenten die doorgaans met de nodige zorg omringd worden. Kleinere monumenten, zoals woonhuizen, kregen minder aandacht en verdwenen soms vrij snel uit het stadsbeeld om plaats te maken voor vernieuwing en modernisering.

Zo werd de bouw van een nieuw hotel langs de Korenlei aangevat, waarbij enkel de gevels en enkele interieurelementen van de oude huizen bewaard bleven. Aan de achterzijde werden een aantal bestaande huizen langs de Drabstraat volledig afgebroken. De woonhuizen droegen de huisnummers 11 tot en met 25 en dateerden uit de 17de, 19de en 20 Ste eeuw.

Weinig Gentenaars beseften dat door deze afbraak een interessant stukje Gentse bouw-en woongeschiedenis definitief verloren ging. Huizenonderzoek maakte het mogelijk een deel van het verleden van deze huizen terug zichtbaar te maken.

De bewoningsgeschiedenis kan gereconstrueerd worden aan de hand van gegevens, die in verschillende archieven bronnen terug te vinden zijn. Voor de middeleeuwse periode zijn de landcijnsboeken en de registers van de schepenen van de keure of van gedele het belangrijkste materiaal om de nodige opzoekingen te doen. In de laatste decennia van de 15de eeuw, werd Jan van Eedinghen, die verschillende huizen in de Drabstraat bezat, vermeld als eigenaar. Hij, en later zijn weduwe Cathelijne Weeremans, betaalden een jaarlijkse landcijns van 10 d. groten te bamesse aan de Quoticliane van St.-Michiels. De cijnsgrond was in dit geval eigendom van de nabijgelegen St.-Michielskerk.

Het Rode huis, in het midden, laat een beeld zien van een belangrijk middeleeuws huis van vier traveeën breed tussen zij- en trapgevels. Het wordt geflankeerd door twee kleinere trapgevels en werd rood huis genoemd naar de vermoedelijk rode kleur van de gevel. In 1518 behoorde de helft van het huis aan de weduwe en de andere helft aan haar kinderen. Het huis werd gesitueerd links “tusschen derve ende lochtynghe van wijlen Clays de Mey en rechts den huuse van Jan van Loo, gheseit dinghelschman”. Jan van Loo was toen eigenaar van het Rode huis. Na de dood van Jaquemyne van Eedinghen, was het huis in 1567 in handen van Joachim van Westerghem, die zijn eigendom van vier andere erfgenamen had afgekocht.

De trapgevel links, die slechts gedeeltelijk is weergegeven, bleef in zijn 17-eeuwse toestand bestaan tot de afbraak in 1991.

Belangrijk voor de voorgeschiedenis is de vermelding dat het een “huus met eenen groenen hauten ghevele was, gelegen neffens de poorte upde lochtynck van wylen Zegher de Mey”. Het pand had in de 16de eeuw een groen beschilderde houten gevel en paalde aan het eigendom van de familie De Mey. Toen Joachim van Westerghem stierf, erfden de weduwe en haar drie kinderen de woning, die in 1575 werd verkocht aan Baptiste Nevelinck. Zijn erfgenamen verkochten op hun beurt in 1593 het huis aan Cornelis Blancquaert, fs. Jacob, procureur bij de Raad van Vlaanderen. In de 17de eeuw volgden verschillende eigenaars elkaar op, waaronder Gillis Colijn, jonkheer Loys de Pouillon, Laureins Vander Haeghen en Pantaleon Reyntiens. In 1672 betaalde Paulus de Sadeleere een huisgeld van 24lb. gr., vastgesteld op 5% van de geschatte huurwaarde van het pand.

Wie van de genoemde eigenaars de oorspronkelijke houten woning vervangen heeft door een stenen woonst, is niet duidelijk gebleken uit de geraadpleegde bronnen. De bouwaanvragen geven geen informatie. In de eerste helft van de 18de eeuw, was het huis in het bezit van Hendrik Marechal en vervolgens van diens weduwe, die in 1712 het huisgeld van 24lb. gr. betaalde. De woning werd toen verhuurd aan procureur Narbonne en sinds 1732 aan Norbertus van Aeken, die de volgende eigenaar werd. Door zijn zoon Norbertus van Aeken junior, werd het huis op 1 mei 1758 verkocht aan Martinus Lotu.

In de bewaarde notarisacte werd het huis gesitueerd “tusschen d’achterpoorte van de brauwerye De Swaene en de … dhoirs vanden advocaet Dubois”. De Swaene, waarvan nu enkel de gevel nog bestaat als gevolg van de hogervermelde hotelbouw, ligt langs de Korenlei en was eertijds toegankelijk langs een achterpoort in de Drabstraat. De brouwerij stond voor een deel op het erf van de reeds genoemde familie De Mey. De buren aan de rechterkant waren de erfgenamen van advokaat Frans du Bois, die het Rode huis in hun bezit hadden. Het pand werd verkocht aan Lotu voor 550 lb. gr. vlaams. Twee pistollen wisselgeit werden bezorgd aan “’s vercoopers domestiquen”.

Martinus Lotu, koopman in verfwaren en huisschilder, richtte in februari 1762 een aanvraag tot de schepenen van de keure om zijn voorgevel te veranderen. De oorspronkelijke ingangsdeur naast de achterpoort van de Swaene en een borstwering zouden vervangen worden door twee vensters, terwijl de twee middenste vensters veranderd werden in een poort met twee deuren “twelck zal geven beter ciraet”. De nieuwe poort met de mooie hardstenen omlijsting bleef bestaan tot de afbraak in 1991. Bij het overlijden van Lotu’s vrouw, Elisabeth Pietemelle van Acker op 3 januari 1783, werd het eigendom verdeeld tussen Lotu en zijn vier kinderen. Lotu bleef het huis bewonen tot 1789, daarna werd het verkocht aan Guillaume van Loo, fs. Jacques Miehiel die ook een rente van 400 lb. gr. ten voordele van het klooster St. Benedietos tot Q.L.Vrouw van Lazarijen ovemam. Blijkbaar had Martinus Lotu financiële zorgen, want in de vermelde Quotidiane is herhaaldelijk sprake van de crediteur Comelis van Heusden uit Rotterdam, aan wie Lotu verschillende duizenden guldens verschuldigd was wegens “gheleverde coopmanschappen”.

In de Franse aanwijzende tabel van de huisgelden, vindt men onder de naam van Guillaume van Loo, ook de naam van J.B. Pisson (1763-1818), die stadsarchitect werd in Gent tussen 1802 en 1809 tijdens het Frans bewind. Dit zou er op wijzen dat hij enkele jaren in dit huis gewoond heeft, vooraleer hij zijn huis op de hoek van de Drabstraat en de Gruuthuusestraat in 1795 aankocht. Pisson was door zijn huwelijk met Jeanne-Françoise van Melle, dochter van slager Jean van Melle en Marie van Loo, zowel verwant met de familie Van Melle als met de uitgebreide familie Van Loo. Bewoners van dit huis waren volgens de bevolkingsregisters van het begin van de 19de eeuw, verschillende generaties van de glazenmakersfamilie De Block.

In een bouwaanvraag van augustus 1818 werd door Jean-Baptiste de Block de toelating gevraagd om de stenen vensterkruisen te mogen verwijderen en te vervangen door “chassis à la moderne”. Ca. 1838 wordt het huis bewoond door Jan-Baptiste van Geertruyen, huisschilder.

Op basis van kadastrale gegeven zijn de eigenaars sinds 1850 mogelijk. Het huisnummer veranderde tijdelijk in nr. 5 maar werd enkele jaren later terug nr. 7. In 1851 werden Willem van Loo, vishandelaar gevestigd op de Vismarkt, vervolgens zijn weduwe en dochter eigenaars van het pand. Een jaar later, in 1852 werd het verkocht aan Jan Jozef De Lanier, kruidenier en nadien in 1861 aan de weduwe Jan de Cremer-Poirier. Sinds 1862 waren opnieuw verschillende generaties Van Loo eigenaars van dit huis. Felix van Loo-Balzaer, slager, werd in 1878 opgevolgd door zijn zonen Felix junior en Gustaaf. ln 1893 werd Gustaaf van Loo-De Muynck de volgende eigenaar. Zijn dochter Leontine huwde met Ferdinand Willaert. Het echtpaar bewoonde sinds 1904 dit huis. Willaert was kunstschilder, leraar en later directeur van de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten. Het huis bleef in handen van de familie Willaert tot het in 1947 verkocht werd aan Petrus Comelis Feliers, handelaar.

Deze huizen bleven bestaan tot 1991, toen het hele bouwblok afgebroken werd. In 1999-2000 greep een archeologisch onderzoek plaats, dat enkele resten van kelders blootlegde. Door dit onderzoek kon de geschiedenis van de verdwenen huizen en hun eigenaars en bewoners tot in de 15de eeuw grotendeels gereconstrueerd worden. De nadruk lag in deze studie op de iconografie en de verschillende archivalische bronnen, die het mogelijk maakten om, vertrekkend van de pittoreske tekening van De Noter , met een summiere verwijzing naar een rood huis in de Drabstraat, de ligging van de afgebeelde huizen en hun situering in het oude kadasterplan van 1835 te bepalen.

De besproken huizen waren oorspronkelijk kleurrijke houten constructies , maar als gevolg van het versteningsproces werden ze door stenen gevels vervangen. De bouwaanvragen tonen aan dat herhaaldelijk ingrepen op de bestaande constructies uitgevoerd werden, zoals het ver-wijderen van tralies en stenen vensterkruisen en het aanbrengen van nieuwe ingangspartijen. Over de eigenaars en bewoners van de panden worden niet zelden bijkomende gegevens verstrekt, o.m. over hun beroep, de gevraagde huis-of huurprijzen, de renten en huisgelden enz. Ook de vermelding van de buren aan beide zijden van de besproken huizen, geven kostbare aanduidingen of bevestigingen van de ligging van de panden. Adellijke eigenaars, zoals de families Triest, Du Bois en De Pouillon waren goed vertegenwoordigd in dit deeltje van de Drabstraat.

Opvallend ook was het aantal advocaten en magistraten, verbonden aan de Raad van Vlaanderen, die vooral in de 17de en 18de eeuw in deze straat gevestigd waren. De nabijheid van het Gravensteen was daar niet vreemd aan. Bovenstaande vaststellingen stemmen overeen met bevindingen betreffende andere huizen in deze straat.

Daarmee wordt bevestigd wat door L. DERYCKE reeds werd vastgesteld, nl. dat de Drabstraat, samen met de Poel, als een van de meest prestigieuze straten van het gebied rond de St.-Miebielskerk kan beschouwd worden. Tegen het einde van de 18de eeuw verdwijnen de adellijke families uit dit deel van de Drabstraat. In hun plaats komt een gemengde bevolking van middenstanders en vrije beroepen, zoals huisschilder, glazenmaker, kruidenier, architect en schilder, directeur van de Academie.

De familienaam die door de eeuwen heen vrij frequent voorkomt, is ongetwijfeld de naam Van Loo. Sinds het einde van de 15de tot en met de 20Ste eeuw zijn Van Loo’s terug te vinden in dit deeltje van de Drabstraat Ze waren zowel als vis-en vleeshandelaars bekend, maar later ook als bierverkopers en herbergiers. Huizenonderzoek blijkt op vele terreinen tot boeiende resultaten te leiden.

———-

Bron:

2005 – Vol 34 N°2