Geeraard Duivelsteen

Geeraard de Duivel (of Gheeraert Vilain) heeft echt bestaan en op de website van het Gentse Rijksarchief lezen we het volgende: “Geraard de Duivel leefde van omstreeks 1200 tot omstreeks 1270-1278. Hij huwde met Margareta van Saint-Pol en na haar dood met Elisabeth van Sloten, de dochter van een rijke lakenhandelaar. Zij stierven kinderloos. Geraard en zijn eerste vrouw Margareta werden begraven in de Sint-Janskerk, de huidige Sint-Baafskathedraal.”

Zijn bijnaam kreeg hij vooral door zijn donkere uiterlijk, en blijkbaar was hij er fier op want er zijn enkele oorkonden bewaard die ondertekend zijn als Gerardus de Gandavo, miles, dictus diabolus (Geraard van Gent, ridder, bijgenaamd de Duivel).

We bevinden ons trouwens in één van de oudste stadskernen van Gent, meer bepaald achter de St.-Baafskathedraal (eens de St.-Janskerk) vlakbij de Wijdenaard, een vroegere aanlegplaats met brede oevers in de buurt van het Bisdomplein.

Daar werd in de 13de eeuw een vroeggotisch adellijk slot opgetrokken in Doornikse steen, op de plaats waar zich hoogstwaarschijnlijk reeds een bestaand slot bevond. Men schrijft die bouwactiviteit toe aan één van de beroemdste, zeg maar beruchtste bewoners van dit steen nl. Geeraard de Duivel, die er ook zijn naam aan gegeven heeft. De. krocht, 33m lang en 17m breed is één der uitgestrekste van het land. Dit gebouw, geklasseerd bij K.B. van 28.12.1936, is één der belangrijkste voorbeelden van versterkte herenhuizen in de middeleeuwen.

Het Geeraard de Duivelsteen was aanvankelijk een verdedigingsbouwwerk van het Portus aan de Reep. In de 14e eeuw kwam het gebouw in het bezit van de stad Gent. Sindsdien heeft het Geeraard de Duivelsteen dienst gedaan als klooster voor de Hiëronymieten of Orde van de Heilige Hiëronymus, (katholieke orde uit de 14e eeuw), ridderverblijf, wapenarsenaal, gesticht, bisschoppelijk seminarie, gevangenis en zelfs als brandweerkazerne. Hier is het Seminarie in 1569 opgericht door Cornelius Jansenius, de eerste bisschop van het bisdom Gent. Het was gevestigd in het oud klooster en school van de Hieronymieten in het Geeraard Duivelsteen.

Dit eerste seminarie was een tweeledige instelling: een lagere cyclus (Klein Seminarie), voortzetting van de Hieronymietenschool, waar jongens van 12 tot 16 jaar een soort humaniora-opleiding ontvingen, en een hogere cyclus (Groot Seminarie) waar theologie-onderwijs werd verstrekt. Na de dood van Jansenius in 1576 was het voorlopig gedaan met het seminarie. Het voldeed eveneens niet meer aan de eigentijdse hygiëne. Er was geen tuin, nergens kon een straaltje zon de duistere ruimten opvrolijken, de verwarming was volstrekt onvoldoende enz. Bisschop Seghers beriep zich op de dekreten gestemd tijdens het Franse bewind om een ander gebouw te betrekken aan de gouverneur van Oost-Vlaanderen.

Bij akte van 21 juli 1625 krijgt het Geeraard Duivelsteen een dubbele bestemming nl. Kulderschool en Tuchthuis. Justus Billet vertelt ons wat de rol was van de tuchthuizen: “Om de jonghe wulpsche bedelaers te temmen en te leeren wercken, neffens een deugdelick leven, alsmede de vremde bedelaers ende vagebonden, ’t sij mans ofte vrauwen, door schriek ende vrees de stadt te doen schauwen”.

Het Rasphuis wordt op 23 mei 1678 ontruimd om krijgsgasthuis te worden. Maar opgepast, we zijn in 1678, het gaat dus niet over het Rasphuis op de Coupure, maar over het Geeraard Duivelsteen. “Ten voonoemden daghe is gheresolveert uyt het rasphuys te doen vertrekken alle de tuchtelingen daerinne ghestelt, omme hetzelve rasphuys gheemployeert te worden tot het leghen van de sieke soldaten als staende teghens het arme knechtiens huys.” Het comfort voor de “sieke soldaten” zal er wel niet alles geweest zijn.

Het volledig uitgeleefde gebouw werd aan het einde van de 19de eeuw zeer drastisch gerestaureerd, eerst door architect Adolphe Pauli en later door Arthur Verhaegen, die er een compleet nieuwe neogotische vleugel aan toevoegde. Alleen de indrukwekkende, vierbeukige benedenzaal, afgedekt met kruisribgewelven werd min of meer in de oorspronkelijke staat bewaard. Sinds 1904 was er een afdeling van het Rijksarchief in ondergebracht. Nu is het eigendom van de holding NV Kolba die er in 2016 zo’n 2.205.000 euro voor neertelde.

De legende rond Geeraard de Duivel

Rond 1200 werd in het gezin van Zeger II, burggraaf van Gent, een zoon geboren. De kleine Geeraard kwam op de wereld met ravenzwart haar en een donkere huid. Toen hij opgroeide, bleek hij op de koop toe een slecht karakter te hebben, wat hem alras de bijnaam Geeraard de Duivel opleverde. Toen Geeraard zo’n jaar of zestien was, wou Zeger dat zijn hardvochtige en wrede zoon op kruistocht naar het Heilig Land vertrok. Geeraard had daar echter helemaal geen zin in. Korte tijd later trof men Zeger dood aan in zijn bed. Koelbloedig vermoord. Volgens hardnekkige geruchten had Geeraard daarin de hand gehad.

Geeraard groeide verder op, erfde het steen aan de Reep, huwde en kreeg een zoon, Geeraard jr., die even zwart van haar en donker van huid als zijn vader was, wat hem de bijnaam Geeraard de Moor opleverde. Geeraard de Duivel was echter helemaal niet opgezet met dat donker kind, gaf zijn vrouw daarvan de schuld, deed zijn naam alle eer aan en schopte haar in een dronken bui dood.

Over de daaropvolgende jaren is alleen bekend dat hij hield van braspartijen en wreedheden, en dat zijn zoon opgroeide met een aardje naar zijn vaartje.
Vele jaren later gebeurde het dat vader en zoon een oogje lieten vallen op dezelfde vrouw, Jacoba Van Zottegem, waardoor er tussen hen een bikkelharde rivaliteit ontstond. Vader Geeraard besloot de strijd te staken en deelde zijn zoon mee dat hij zich een tijd in het Waasland zou terugtrekken zodat de zoon in alle rust de voorbereidingen voor het huwelijk kon treffen. Hij zou ’s avonds laat nog vertrekken en vroeg aan zijn zoon of die aan de schippers, die in de Rode Toren bij de Pasbrug (vlakbij de huidige Sint-Jorisbrug aan Portus Ganda) op hem aan het wachten waren, wou vragen of alles klaar was.

U hebt natuurlijk al lang begrepen dat vader Geeraard zich absoluut niet gewonnen gaf, integendeel. Hij had de schippers ingehuurd om, als zoon Geeraard kwam vragen of alles in orde was, hem te overmeesteren, aan handen en voeten te boeien om hem dan in een zak in de Leie te kieperen. Geeraard jr., die zijn vader al langer dan vandaag kende, kreeg inderdaad argwaan, verborg zich in de buurt van de Rode Poort en wachtte de gebeurtenissen af. Na verloop van tijd werd vader Geeraard toch wel ongeduldig en ging aan de schippers vragen of de klus geklaard was. Die schippers hielden hem natuurlijk voor Geraard jr. en zo onderging Geraard de Duivel het lot dat hij voor zijn zoon uitgestippeld had. Geraard de Moor, die alles zag gebeuren, lachte in zijn vuistje en begon onmiddellijk aan de voorbereidingen voor het huwelijk met zijn begeerde bruid.

Volgens de legende kwam aan deze geschiedenis van moord en doodslag nog geen einde: Geraard de Moor wou zijn vrouw vermoorden met een bijl, maar gelukkig kon zij met hun zoontje ontkomen. Na zestien jaar ontmoetten zij elkaar toevallig weer, waarna die zoon Geeraard de Moor vermoordde. En volgens diezelfde legende was het geslacht tegen het einde van de 13de eeuw uitgestorven, maar zitten de geesten van Geraard de Duivel en van Geeraard de Moor elkaar in het Duivelsteen nog steeds achterna.

Zoals uit het bovenstaande duidelijk wordt, werken het sombere steen en zijn bewoners in op de fantasie. Ook Marc Sleen werd erdoor geïnspireerd en voerde in 1950 Geeraard de Duivel heel letterlijk ten tonele, compleet met staart en sulferdampen, in het album De hoed van Geeraard de Duivel. Jaren later keerde hij terug in o.m. de albums De terugkeer van Geeraard de DuivelDe Kolbak van How en De dood van bompa. In de laatste verhalen werd hij ook voorzien van bokkenpoten en hoorns.

———-

http://www.en.wikipedia.org

http://www.gentblogt-archief.stad.gent

http://www.2dgalleries.com

http://www.stripboekenhandel.nl

Ghendtsche Tydinghen 1973 – Vol2 N°5

Ghendtsche Tydinghen 1987 – Vol16 N°5

Ghendtsche Tydinghen 1999 – Vol28 N°4

Ghendtsche Tydinghen 2002 – Vol31 N°3

Ghendtsche Tydinghen 2005 – Vol 34 N°3