Kammerstraat

Deze straat strekt zich uit van het historisch erfgoed “’t Toreken”, het gildehuis der Huidevetters gelegen Vrijdagmarkt, tot aan de Koningstraat in de buurt van de Zandberg, alwaar eertijds de aangeslibte grond veehouders en grondbewerkers zou verleiden zich te vestigen.

In het oog springt het gebouw van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde op het uiteinde van de Kammerstraat. Eertijds stond hier een “Steen” uit de 14e eeuw. De oudst bekende eigenaar van dit “Steen” is Lieven Damman, heer van Oombergen. Het staat beschreven in het Cijnsboek van Karel van Oxelaere dd. 16e eeuw. De oude patriciërswoning droeg tot aan zijn afbraak in 1745 de naam “Huus van Oombergen” of “Steen van Damman”.

In 1745 kocht de architect David ’t Kindt het gebouw. Hij liet het afbreken en bouwde er het herenhuis met zijn prachtige gevel. Vermoedelijk is het het eerste gebouw in Lodewijk XV stijl te Gent. In zijn bouwaanvraag aan de schepenen van de Keure beschrijft ’t Kindt de gevel aldus “Benen schoonen ghevel van witten steen en blauwen arduyn met al sijne ciraeten”. Het herenhuis werd openbaar verkocht in 1892. De staat kocht het gebouw voor 94000 fr (2330€) en stelde het ter beschikking van de “Vlaamsche Academie” gesticht in 1886.

Geschiedkundigen zijn het niet helemaal eens maar kammer zou verwant zijn met het wolkammen en “draperie in ’t algemeen” betekenen. Namen van steegjes in de buurt zoals de Baaisteeg zouden ontleend zijn aan het wolbedrijf.

Kammer is ook afgeleid van het Middennederlandse Camme en ook in het Leuvens dialect wordt er eenzelfde betekenis aan gegeven nl. brouwerij. Doch heeft de Gentse Kammerstraat geen referenties naar bovenvermelde verklaring.

Ook volgens Priester G. Celis is de Kammerstraat een verwijzing naar de Kammers- of brouwersnering welke hier haar Gildenhuis bezat.

De beroemdste bewoner was Jan Palfijn, uitvinder van de verlostang. Ook werkte hier in de 17e eeuw Gaspard De Crayer, de Gentse Rubens wiens schilderijen in tal van Gentse kerken en musea zijn terug te vinden.

———-

Bron:

Ghendtsche Tydinghen 1974 – Vol3 N°4