Opera

Schouwburgstraat 3 – 9000 Gent

Tel.: 0032 70 22 02 02 –  +32 9 268 10 11

In 1837 heette deze zijstraat van de Kouter de Comediestraat, in 1849 sprak men over Rue du Théatre en vandaag de dag spreken wij over de Schouwburgstraat.

De schepenen gaven het monopolie aan de gilde, waardoor geen nieuwe schouwburg in Gent mocht worden gebouwd en geen muzikale noch dramatische voorstellingen in een andere zaal mochten plaatsvinden. Na de afschaffing van de gilden in 1794 werden het gildehuis en het theater openbaar verkocht. Toen de gebouwen opnieuw in het bezit kwamen van de stad, werden ze gesloopt. Kort daarna werd de huidige Schouwburgstraat aangelegd en verrees een nieuw theatergebouw naar de plannen van stadsarchitect Louis Roelandt (1786-1864).

Louis Roelandt construeerde zowel te Gent als daarbuiten belangrijke bouwwerken die hun omgeving domineren. Vooral te Gent, waar hij van 1819 tot 1856 stadsarchitect was, zou hij zijn belangrijkste ontwerpen optrekken (Aula van de Universiteit , Opera, Justitiepaleis, …). Hij slaagde erin om rationele ontwerpmethodieken te verenigen met een persoonlijke neoclassicistische en zelfs neogotische stijl.

Architect Roelandt bouwde de “Grote Schouwburg” (Le Grand Théatre) tussen 1837-1840 op de plaats waar vroeger het Sint-Sebastiaansgildehuis van de handboogschutters stond met aanpalend de eerste Gentse schouwburg. De Sint-Sebastiaansgilde verhuurde reeds in de jaren 1664-1668 een lokaal bij zijn neringhuis op de Kouter aan reizende toneelgezelschappen. De Kouter vervulde toen al een belangrijke sociaal-culturele rol die ze in de loop der eeuwen zal blijven behouden zodat aan het plein thans nog een bijzondere historisch-ruimtelijke waarde kan toegekend worden.

In 1688 verkocht de gilde een terrein naast haar gildehuis aan de stad die er in 1698 een toneelzaal liet bouwen, de eerste Gentse stadsschouwburg. De schepenen gaven het monopolie aan de gilde, waardoor geen nieuwe schouwburg in Gent mocht worden gebouwd en geen muzikale noch dramatische voorstellingen in een andere zaal mochten plaatsvinden.

Op 31 mei 1698 werd de schouwburg plechtig geopend met een opvoering van Thesée van Lully, meteen de eerste met naam gekende opvoering van een opera in Gent. In juli 1706 werd een permanent gezelschap de “Coninclijcke Academie van het Musieck” of de ”Académie Royale de Musique” opgericht. Een brand vernietigde het theater en de gildelokalen in 1715.

De gilde kocht in 1736 haar terrein van de stad terug en gaf aan de gerenommeerde meester-metser Bernard de Wilde de opdracht tot het bouwen van een nieuw neringhuis en theater. De gebouwen kwamen tot stand in 1737. De Sint-Sebastiaansgilde zorgde in 1760 voor een permanent aan de opera verbonden orkest. In 1774 werd de zaal aangepast naar ontwerp van architect Pierre De Somer. De Brusselse bouwmeester J. van Gelder maakte een plan voor inwendige veranderingen aan het theater in 1775.

De gebouwen van de Sint-Sebastiaansgilde werden na de Franse revolutie geconfisqueerd en in 1798 als nationaal goed verkocht. De gildelokalen werden in 1813 gesloopt en onder andere vervangen door het “Posthotel”, op zijn beurt ook reeds gesloopt. De stad kon in 1821 de toneelzaal verwerven. Na enkele jaren wenste zij op de plaats van het oude theater een nieuwe theatergebouw op te trekken. Na de sloping van de vervallen gebouwen in 1837 werd tussen de Kouter en het Koophandelsplein de Schouwburgstraat aangelegd. In de nieuwe straat zou de prestigieuze nieuwe opera de volledige straatbreedte innemen. Naar de plannen van stadsarchitect Louis Roelandt (1786-1864) verrees het monumentale theatergebouw in neoclassicistische stijl, het zogenaamde “Grand Théâtre” dat op 30 augustus 1840 feestelijk werd ingehuldigd.

De theaterzaal van de opera bood plaats aan 2000 toeschouwers, bijna het dubbele van vandaag. Het was voor de 19de-eeuwse Gentse burgerij de ontmoetingsplaats bij uitstek. De elite van de stad had er een abonnement op de duurste plaatsen nl. de loges van de eerste rij en de baignoires. Zien en gezien worden waren vaak belangrijker dan de voorstelling zelf. Op het programma stonden opera’s, opéra’s-comiques, operettes en balletten. De zalen werden ter beschikking gesteld voor bals, redoutes en banketten.

Het balkon in de grote schouwburgzaal werd pas in 1887 gebouwd door Charles Van Rysselberghe (1850-1920 – stadsarchitect) en Emile Braun (stadsingenieur en later burgemeester van Gent). Het wijzigde het uitzicht van de zaal maar werd reeds bij de restauratie van de zaal in 1896 opnieuw in vraag gesteld. De Gentse burgerij zat niet graag op het balkon, en verkoos de intimiteit van de loges. In 1910-1913 volgden nog verdere ingrepen (voorportaal, uitbreiding zijgevel met Post- en Telegraafkantoor, het Vredegerecht,  het Krijgsauditoraat).

De balkons in de hogere regionen waren de goedkope plaatsen, gekend als “de engelenbak” of “de uil”. Zij werden aanzien als het echte kennerspubliek. Als zij juichten kon er niet veel meer fout gaan. Toch bleef het “gewone volk” letterlijk een derderangspubliek dat eerder paternalistisch werd getolereerd. De Gentse constructie  zorgde er voor dat het volk strikt gescheiden bleef van de betere klasse: een aparte ingang, een apart loket, een aparte trap, een aparte vestiaire, enz., zodat “vermenging” vrijwel onmogelijk was.

Toenemende technische problemen en nieuwe eisen namen in de jaren 1970-1980 steeds onoverkomelijker afmetingen aan.  Ook de bestuursstructuur van de opera werd toen gewijzigd. Na de ontbinding van de Koninklijke Opera Gent in 1980 werd de Opera voor Vlaanderen (O.V.V.)  opgericht die samenwerking met Antwerpen veronderstelde. Deze structuur ging reeds in 1987 ten onder. In 1988 werd de Vlaamse Operastichting (VLOS) opgericht als een nieuwe overkoepelende structuur voor het operaleven in Vlaanderen. De Gentse Opera werd door de Stad Gent in 1988 in erfpacht overgedragen aan de VLOS. Het veiligheidsprobleem van de Gentse Opera was ondertussen zo cruciaal geworden dat het college in 1988 het gebouw liet sluiten.

Tussen 1989 en 1993 vonden er omvangrijke herstellings- en aanpassingswerken plaats o.l.v. architect Dirk Bontinck (°1945) waarbij het zitcomfort werd verbeterd en het gebouw aan de huidige veiligheidsnormen werd aangepast. Hierbij verdween de nog authentieke decormachinerie voor een nieuwe installatie die in een erg dissonante torenuitbouw ondergebracht werd. Voor een vlotte aan- en afvoer van de decors werd een ijzeren brug over de Ketelvest aangelegd. Het storend vooruitspringende portaal, dat architect Charles Van Rysselberghe  in 1911 aan de ingang toevoegde, werd verwijderd.

Het interieur van de zalen werd deels  in zijn vroegere glorie hersteld en in 1993 heropend. Op 18 mei 1995 werd het operacomplex beschermd als monument wegens de historische en artistieke waarde, waarna ook de gevel werd aangepakt.

De Koninklijke Opera van Gent (KOG) was meer dan 100 jaar een oude zelfstandige Gentse Stadsopera tot aan haar fusie in 1981 met de Koninklijke Vlaamse Opera in Antwerpen. Beide stadsopera’s gingen op in de Opera voor Vlaanderen, in 1995 omgedoopt tot de Vlaamse Opera.

In 2002 werd het operagebouw eindelijk van zijn stellingen ontdaan. Nadien, in 2005, werd ter gelegenheid van de heropening van de gerestaureerde zalen op de gevel van het gebouw het gedicht “Da Capo” van Ramsey Nasr  (°1974) aangebracht.

In juni 2013 kondigde Vlaams minister van Cultuur Joke Schauvliege aan dat er met ingang van 1 januari 2014 een fusie van de Vlaamse Opera en het Ballet van Vlaanderen komt waardoor de grootste culturele organisatie in Vlaanderen zou ontstaan met een eigen koor, orkest en ballet. Schepen van Cultuur Annelies Storms reageerde tevreden met de mededeling “Nu kunnen we praten over de restauratie van het interieur van ons operagebouw. Dat gaat 50 miljoen euro kosten”. De stad Gent stopt jaarlijks 1,6 miljoen euro in de opera.

Weetje: De rondboogopeningen in de neoclassicistische gevelwand, in 1840 door Louis Roelandt opgetrokken tegenover de opera, werden in 1901 vervangen door vensters met een art-nouveau-inslag  naar een ontwerp van Oscar Van de Voorde (1871-1938, hoofdarchitect van de Gentse expo 1913).

De St.-Sebastiaansschouwburg (Ghendtsche Tydinghen 2000 – N°6)

Op 6 mei 1837 is aanvang genomen met de afbraak van de St-Sebastiaansschouwburg. Deze boogschuttersgilde bouwde in de 16e eeuw haar gildehuis tussen de Kouter en de Ketelvaart. In 1664 werd er een toneelzaal aan toegevoegd. Ze werd aanvankelijk verhuurd aan rondreizende Franse komedianten.

Nog geen 25 jaar later verkocht de gilde haar terreinen aan de Stad die er een “Pickerye” of manège inrichtte. Deze kende geen langdurig bestaan en 10 jaar later, in 1698, bouwt de Stad op deze plaats een schouwburg die wij kunnen beschouwen als de origine van de Gentse opera. In 1715 brandt deze “operaplaetse” volledig af en 2 jaar later bouwt men op de Kouter een voorlopige houten schouwburg. In 1736 verkoopt de Stad het terrein aan de vroegere eigenaar, de St-Sebastiaansgilde en verleent het monopolie voor alle vormen van spektakel in de stad: toneel-en operavoorstellingen, concerten, redoutes en openbare bals.

De gekende architect Bemard De Wilde bouwt een nieuw gildehuis met schouwburgzaal die zal bekend worden onder de naam “Het Hof van St-Sebastiaan”. De nieuwe schouwburg die gedurende een eeuw de Gentse opera zal herbergen werd opengesteld op 12 Maart 1737. De Gilde had op geen kosten gezien want zij had “niets veronachtzaemt om eene Toneelzael te rnaeken gemakkelijk, bevallig en weerdig van de Hoofdstad van eene Provintie. De stukken, zelfs die de meesten toestel en pracht vereysschen konnen er vertoont worden zonder de minste wanorde, zoodat er den Aenschouwer eene volkome verbeelding kan genieten.

Onder de vele beroemdheden die voorstellingen kwamen bijwonen in de St-Sebastiaansschouwburg vernoemen wij: Karel van Lorreinen, de Hertog van Marlborough, Aartshertog van Saksen-Tesehen met Marie-Christine, Napoleon met Josephine en later met Marie-Louise, Ladewijk XVIII met zijn Hof, Willem I, Leopold I, enz. De St-Sebastiaansschouwburg werd afgebroken in 1837 om 3 jaar later plaats te maken voor de huidige Opera.

Weetje: 3 oktober 1858. De nieuwe Brusselse bierpomp is nu te Gent voor het eerst in gebruik in de “Estaminet du Commerce” in de Schouwburgstraat. De Brusselse bierpomp is aan te bevelen voor de tappers die de gezondheid van hun klanten beogen. Met het nieuwe toestel is geen vergiftiging mogelijk. Het lichaam van de pomp is in porselein en de pijpen in glas. De pomp geeft 600 pinten per uur.

——————

Bronnen:

http://www.inventaris.onroerenderfgoed.be

http://www.swingverkoop.be

http://www.nl.wikipedia.org

http://www.gisterennogvandaag.com

Ghendtsche Tydinghen 1975 – Vol4 N°3

Ghendtsche Tydinghen 1978 – Vol7 N°1

Albrt Sugg en de Belle époque (18.10.2013)