Nieuwbrug (wijk)

Nieuwbrug was de brug gelegen tussen de St.-Jacobsnieuwstraat en de Keizer Karelstraat over de Reep. Later ging de naam van de brug over op de hele wijk gelegen tussen de St-Jacobsnieuwstraat, Vlasmarkt, St.-Jacobs, Steendam (de vroegere St.-Jorisstraat), de Nieuwbrugkaai (aan de vroegere samenvloeiing van Leie en Schelde) en de Oude Beestenmarkt. Men sprak er een speciaal soort zeer plat Gents.

De Friese taalkundige Johan Winkier schrijft daarover in 1874:

“Deze wijk wordt hoofdzakelijk door mensen uit de kleine burgerstand, door werklieden en vooral fabrieksarbeiders bewoond. het zogenoemd Nieuwbrugsch wordt ruwer en platter uitgesproken dan het gewone Gents; ’t wordt vooral ook veel slepender uitgebracht, zeer lijmig zoals men in Vlaanderen deze wijze van spreken noemt. Het hoofdkenmerk van het Nieuwbrugs is de verandering van de volkomen “u” in de volkomen “î”. ” Zo zei men “brîgge” voor “brugge”, “mîtse” voor “mutse”, “kîrf” voor “kuif”, “îwwe” voor “uwwe “, “mîgge” voor “mugge” en “opvîllen” voor “opvullen”.

En Winkier gaat verder: “Wat men tegenwoordig (1874) Nieuwbrugs noemt, is eigenlijk de algemeen oud-Gentse tongval. Voor een halve eeuw ( 1824) sprak nog het grootste deel van de burgerij te Gent op zijn Nieuwbrugs, ofschoon niet zo ruw en plat als de hedendaagsche echte Nieuwbruggelingen doen.”

Toen ik laatst aan het grasduinen was in een ingebonden reeks van “Gentsch Museum”, een “zondagsblad” of weekendbijlage bij de krant “Het Vaderland” uit mijn krantenverzameling, werd mijn aandacht in het nummer van 8 april 1899 getrokken door de titel: “Een lied van 1745 in de Gentsche volkstaal”.

De inleiding gaat als volgt:

“Onlangs verschenen er herhaaldelijk, in het Frans dagblad “Le Petit Bleu”, van Brussel, kluchten, gewestelijke vertellingen en zetten in de Gentsche volkstaal, alhier gekend onder den naam van “Nieuwbrugsch” waarschijnlijk omdat het platste Gents gesproken werd door de arme en onbeschaafde bevolking die den wijk der “Nieuwbrug” bewoonde, voor dat de gezondheidswerken *werden uitgevoerd waardoor deze kant van de stad een nieuw uitzicht heeft gekregen. Het “Nieuwbrugsch” of plat Gents (men kan het in ie Petit Bleu opmerken) laat zich niet alleen moeilijk lezen, maar nog veel moeilijker schrijven. Het heeft klanken die bijna niet in letters weer te geven zijn. Om het Gentsch goed weer te geven, zou het a.b.c. moeten vermeerderd worden.”

Als een model in het genre noemt men den volksroman “Jellen en Mietje”, in 1815 in ’t licht gegeven door Karel Brouckaert.

Sindsdien zijn er vele liedjes en volksblaadjes, vooral in tijden van kiezingen, in het Gentsch dialect verschenen. Noemen wij onder de liedjes deze van N. Destanberg*. Het berucht liberaal spotblad “Baes Kimpe” *werd grotendeels in ’t plat Gents geschreven en verried een flinke pen. Lodewijk De Vriese en Juliaan De Lantshere hebben letterkundige beschouwingen over het Gentsch dialect beoefend. “Wij vinden er een aardige proefstuk van in een niet minder aardig boekje, getitteld:

APOLLO’S NIEUWE-JAARSGIFT

aen het bekoorlyke Hollandsche jufferschap

(Te Dordrecht)

Gedrukt by “Hendrik Walpot”,

Boekverkooper over ’t Stadhuys 1745 Welke wij hier letterlijk overschrijven. “

Zo heeft de opsteller van het artikel het over Karel Brouckaert (°Gent 1767, †Aalst 1827). Hij was Gentenaar maar werkzaam op de griffie van het vredegerecht te Aalst. Bekende publicaties zijn “Dagelyks Nieuws van Vader Roeland, Pendant van Père du Chène” (Gent 1792-93), “De Syssse-Panne” (Gent 1795-1798). Later werden fragmenten daaruit gepubliceerd onder de titel “Borgers in den Estaminé” en “Den Jongen Tobias”. “Briefwisseling tussen Vader Gys en verscheidene andere geleerde Personen van zynen Tyd” (Gent 1799-1800).

Pogingen om het Gentse dialect leesbaar neer te schrijven dateren niet van gisteren. Velen zijn ons voorgegaan. Zijn verhaal “Jellen en Mietje -twee buurtkinders uit de wijk der Nieuwbrugge” (1814-15), werd ingevolge de toen geldende Franse keizerlijke decreten op de drukpers in handschrift afgegeven op de “secretarie” van de “Préfecture du Département de l’ Escaut” (Scheldedepartement) en vandaar naar Parijs gezonden om de toelating tot publicatie te krijgen. Het manuscript slingerde daar een jaar rond omdat niemand de taal van Jellen en Mietje verstond: de dialogen waren nl. m het Gents geschreven!

De boekkeurders stuurden pas in 1813 het hele zaakje terug naar de prefect te Gent met de opdracht het helemaal in het Frans te vertalen. Een groot deel van het origineel manuscript keerde niet naar Gent terug en schijnt verloren gegaan te zijn in de papieren mallemolen van de “sécretarie” te Parijs. Gelukkig voor ons heeft Broeckaert zijn verhaal niet vertaald en was het eerst in 1815, na de nederlaag van Napoleon dat de vrijage van Jellen en Mietje in “den nieuwen dobbelen schapers-almanak” te Gent gedrukt werd. Vanaf 1837 volgde een aantal bijgewerkte drukken en in 1932 gaf “De Sikkel” het werkje voor de laatste keer uit. Het geeft ons een beeld van het Platgents uit die periode.

———-

Bron:

Ghendtsche Tydinghen 2002 – Vol31 n°1