Overstromingen

20 januari 1841. Door de dooi wordt de stad door een geweldige overstroming geteisterd. Het water bereikt het hoogste peil sedert 1827. Alhoewel de lijst zeer lang is, toch kunnen we niet nalaten de lijst te geven van de straten die onder water staan nl. Scheiergat, Nieuwland, Achterleie, Groenstraat, Huidevettershoek, Paepestraat, Godshuishammeken, de Barakken, Goudstraat, Oude Ajuinlei, Lindenlei, Reke, Groot Meerhem, Klein Meerhem, Lievegang, Visserij, Veerstraat, Cosynstraat, Mortierstraat, Grijsberg, Terplaten, Winkelsteeg, Lange Wijngaardstraat, Barrestraat, Baudelolei, Houtlei, Abeelstraat, Kor-te Schipgracht, Tichelrij, Palinhtraat, Filledieuse Hammeken, Korte Zilverstraat, Tinnepotstraat, Oude Molenaarsstraat, Korte Kuiperstraat, Veergrep, Sleepstraat, St. Gillisstraatje, Saeymanstraat, St. Salvatorstraat, Chartreusenstraat, Vogelenzang, Lange Schipgracht, Sint Margrietstraat, Molenaarsstraat, Varkensstraatje, Hooie, Pelikaanstraat, Ukelram, Apostelhuizen, Stuksken, station van de spoorweg, het Groot Begijnhof, Begijnendries, Nieuwpoortje, Kromme Wal, Ossemarkt, Zilverstraat, Merelbe-kestraat, Klein Begijnhof, Kleine Huidevettershoek, Rijke Klarenstraat, St.Annastraat, Sleutelstraat, Ham, Bijloke.

Op de Muinkmeersen staat drie voet water. Buiten de stad zijn al de meersen overstroomd. De herberg Patijntje ligt verlaten te midden van het water. Ook St.-Pieters-Aaigem staat blank. Ten gevolge van het hoge water hebben een aantal fabrieken hun deuren moeten sluiten. Dit is onder meer het geval voor de katoendrukkerijen Dehemptinne en Story, de fabriek Coppens, de vlasfabriek op de Vogelenzang, de fabriek Voortman. De scheepvaart is gestremd, waardoor de bevoorrading van steenkool moeilijk wordt. Op de markten worden wei-nig producten aangevoerd, met als gevolg hoge prijzen. Op het einde van de maand begint het waterpeil te dalen.

4 januari 1846. Opnieuw wordt de stad geteisterd door overstromingen. Talrijke straten in de volkswijken staan onder water. Talrijke bewoonde kelders zijn waterputten geworden. Vele fabrieken moesten gesloten worden.” Op 5 januari stond ’s middags het water 81 cm boven het winterpeil. Volgens een verslag zijn zeventig straten geheel of gedeeltelijk overstroomd. Van de 54 straten, die sedert een tweetal jaar werden opgehoogd zijn er slechts vier tot vijf straten die niet onder water stonden.

30 januari 1846. De overstroming blijft de stad teisteren. Op 28 januari stond het water 91 cm boven het winterpeil, op 29 januari 1,01m boven het peil.

7 februari 1846. In de gemeenteraad wordt het bageren van de rivieren en kanalen besproken. Sedert 1818 werd gemiddeld 10222,92 fr (254€) per jaar uitgegeven voor het baggeren van de waterlopen. Toch is de toestand van al de waterlopen erbarmelijk. De gemeenteraad besluit al de rivieren te laten baggeren. Dit werk zal 40447 fr (1003€) kosten. De rivieren van eerste klasse zullen uitgebaggerd worden tot op 2 m beneden het zomerpeil (de Houtlei en de Lieve), de kanaaltjes van tweede klasse zullen uitgebaggerd worden tot op 1,62 m beneden het zomerpeil. De tweede klasse bevat : de Ottogracht, drie kanaaltjes bij het Heilig Kerst, de Oude Schelde, het Meerhem, de Plottersgracht, de Begijnengracht, een gracht aan het Augustijnerklooster en de academie, alsook de stadsgrachten achter het Poedermagazijn (aan de Sim-Lievenspoort), achter de Bijloke en de gracht tussen de Sassepoort en de Dampoort. Een aannemer zal voor een bedrag van 5731,88 fr (143€) de waterlopen onderhouden, zodat ze de voorgeschreven diepte behouden. De genomen maatregelen zullen door allerlei redenen niets oplossen.

Op 7 december 1872 lezen we in de Gazette van Gent: “Het wil niet ophouden met regenen. Alhoewel onze stad tot nu toe van overstroming bevrijd is gebleven, toch hebben reeds veel bewoners door het water te lijden”.

Op 13 december 1872 meer nieuws. Het heeft gisteren niet opgehouden met regenen. In de wijk Nieuwbrug staan verschillende straten onderwater. De Tichelrij staat gedeeltelijk onder water evenals de Chartreuzenstraat. Ook de Sint-Annawijk heeft te lijden van overstromingen. Hoven en weiden gelegen tussen de Priesterstraat en de Oude Sassepoort vormen slechts een uitgebreid meer. De steenkolen kunnen langs de bevaarbare waterwegen Gent niet meer bereiken.

Op 14 december 1872: Deze nacht is het water nog geklommen. Het zijn juist de werklieden, reeds beproefd door het stilvallen van de fabrieken die het meest door het water te lijden hebben daar de lage gedeelten van de stad het meest bewoond worden door de arbeidersklasse. De “Gazette van Gent” stelt vast dat er in de arme wijken geen voetpaden zijn aangelegd en vraagt: “Waarom heeft men de kleine wijken verwaarloosd?” Veel fabriekenliggen stil nl. de Gentsche Vlasfabriek, de fabriek De Smet-Guequier op de Oude Vest, Van der Heyden op de Muinkkaai, Rey op Ledeberg, Lousbergs.op de Reep (de Lieve).

15 december 1872. Het verergert nog altijd. De ganse wijk van het H. Kerst, de Dok, de Metselaarsstraat, de Reke, de wijk van Sint-Anna, de Leiekaai, Ter Platen, de Zilverstraat, de Molenaarsstraat, de Hoogstraat, de Begijnengracht en een deel van Akkergem staan onder water. De fabriek Voortman op de Vogelenzangkaai ligt stil.

16 december 1872. Het water is nog geklommen. In veel straten staat het water twee, drie tot vier voet hoog. De balken, welke de stad heeft gelegd, drijven weg. Veel werklieden bezitten niets meer om eten te kopen daar ze de ganse week niet hebben gewerkt. Het :Bestuur van de Burgerlijke Godshuizen heeft het oud klein hospitaál aan Sint-Jacobs ter beschikking van de getroffenen gesteld. De landerijen en weiden rond de stad staan zeer diep onder water. Ze lijken een zee. Men heeft reeds lijken van koeien opgevist. Het groot begijnhof lijkt een uitgestrekt meer. Het “Burgerlijk Hospitaal” is gedeeltelijk overstroomd.

In “De Stad Gent” lezen we: Geheel de Ottogracht en een deel van de Baudelostraat staat onder water. Het atheneum is gesloten. De Sleepstraat staat onder water vanaf het Sluizeken tot aan het Heilig Kerst. De Oude Veemarkt lijkt een rivier. In de zwemschool Dossche staat het water tot aan het dak van de cabines.

19 december 1872. Het water daalt zeer langzaam.

20 december 1872. De daling van het water duurt voort.

21 december 1872. In het werkhuis “La Flandre” is het werk gededtelijk hernomen. Ook bij De Smet-Guequier wordt opnieuw gewerkt. Uit het Jaarverslag vernemen we dat van de 77 afdelingen waarin de stad is verdeeld door het Armbestuur 43 afdelingen werden geteisterd door overstromingen. Door tussenkomst van de armenmeesters werden steenkolen, dekens, geld, brood en aardappelen uitgedeeld. Ook is beroep gedaan op liefdadigheid. Door het stadsbestuur werd een inschrijvingslijst geopend. De kranten “Le Joumal de Gand” samen met “De Stad Gent” en “Le Bien Public” openden een inschrijvingslijst.

———-

Bron:

Ghendtsche Tydinghen 1974 – Vol3 N°6

Ghendtsche Tydinghen 1975 – Vol4 N°6

Ghendtsche Tydinghen 1980 – Vol9 N°6