Citadelpark

Citadel: aanleiding: Heel de 18de eeuw droeg België de naam van Oostenrijkse Nederlanden. Het was een tijd die ons onwillekeurig de figuur van Maria Theresia in het geheugen roept. Aan die voorspoedige jaren kwam een einde toen na het leveren van een resem veldslagen, onze gewesten door Frankrijk aangehecht werden (1795). Aan die onzalige onderdrukking zou pas een einde komen nadat Napoleon op 18 juni 1815 bij Waterloo de nederlaag toegebracht werd door de verenigde legers van Pruisen, Engeland, Rusland en Holland.

Inmiddels hadden ook de diplomaten de ene na de andere (papieren) veldslag geleverd. Het “Eerste Verdrag van Parijs” dd 30 mei 1814 besloot tot de oprichting van een nieuwe staat, Holland en de Oostenrijkse Nederlanden behelzende. Ook het berucht Weens Congres dat aanving op 18 september 1814 en eindigde op 9 juni 1815, precies 6 dagen voor Waterloo, bemoeide zich met de vorming en inrichting van de nieuwe staat. Daar werd o.a. uitgemaakt dat het aangesteld staatshoofd de titel van Koning der Nederlanden zou dragen en Willem l zou zijn. Het zogenaamde Tweede Verdrag van Parijs dd 20 november 1815 bekrachtigde wat voordien te Parijs en te Wenen uit de bus gekomen was. Vooral op aandringen van Engeland zou die nieuwe staat een bufferstaat zijn die Frankrijk vanuit het noorden in bedwang diende te houden.

Tussen 1815 en 1830 zou een 3-voudige verdedigingslinie worden opgetrokken in het zuiden van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden als verdediging tegen de Fransen. Het stond onder leiding van de Hertog van Wellington en was ook gekend als de Wellingtonbarrière. Gent werd uitgekozen om met één van die forten bezegeld te worden. Aangeduid werd de plaats waar het Montereyfort gestaan had.

Op 12 april 1819 arriveerde te Gent de Hollandse majoor-ingenieur C.P. Gey van Pittius wie de regering tot het opmaken van de plans belast had. Reeds op 4 mei hadden de eerste nivelleringen plaats. Zo vlot liep het werk van stapel dat de man reeds op 25 juli met zijn voorontwerp klaar was. Het definitief ontwerp, plattegronden en bestekken, verwierf op 19 oktober 1819 de goedkeuring van de overheid ( 19 okt. 1819 ).

Dat zelfs staatshoofden zich uitermate interesseerden voor de aangang zijnde werken, blijkt uit de bezoeken die door Willem I van de kroonprins Frederik ( 6 okt. 1820) en door de Engelse koning George IV vergezeld van de Hertog van Wellington op 10 augustus 1820 eraan brachten. Wellington stak meer dan eens de plas over om zich van de groei van het fort te komen vergewissen.

Doch ditmaal gebeurde het bezoek extra officieel. Aan de Brugse Poort werd hij opgewacht door de militaire gouverneur van Vlaanderen, de hertog Bernard van Saxen-Weirnar, de militaire bevelhebber luitenant-generaal baron Constant de Rebecque, graaf Philippe de Lens, de burgemeester Ph. Piers de Raveschoot, meerdere schepenen en vooraanstaanden onder wie dhr. Lousbergs en dhr. Smet de Nayer. Ter plaatse van de werken aangekomen leidde van Pittius de hoge bezoekers door de doolhof metselwerk en bergen bouwmaterialen. Reeds konden ze zich een precieze gedachte vormen van wat de Citadel op het punt stond te worden.

Het is het bezoek dat op 2 augustus 1825 plaatsgreep dat Gondry en zijn maats op het doek penseelden. We zien hoe luitenant-generaal Gey van Pittius post gevat heeft op de plek waar voorheen het Montereyfort preikte. Vergezeld van burgemeester de Raveschoot voert hij een gesprek met Wellington. Op een paar passen van het groepje mogen we de aanwezigheid vermoeden van schepen Van Wambeke en industrieel de Smet de Naeyer. Op de achtergrond wacht de postkoets waarmee Wellington zijn reis zal voortzetten. Ruim 8 jaar zwoegde men met man en macht aan de bouw van het gigantisch fort. Wat zeggen wil dat het “voor het gebruik” gereed kwam op de vooravond van de uitbarsting van de Omwenteling van 1830.

Toen het rustige Gent in september 1830 vernam wat er te Brussel na de voorstelling van “La Muette de Portici” was voorgevallen kreeg meer dan één van de van handel of industrie levende Gentenaar de bibber op het lijf. De Hollandse jaren hadden hun voorspoed en macht aangebracht en in Gent vestigden ze hun hoop op de bescherming van de in de Citadel gelegerde Hollandse en Belgische troepen. Spijtig voor hun vertrouwen zou het maar al te vlug blijken dat laatstgenoemden absoluut onbetrouwbaar waren.

De gouverneur Van Doom was de eerste om het hazepad te kiezen gevolgd op 2 oktober 1830 door een aanzienlijk gedeelte van de gewapende macht. Tot op 10 oktober 1830 een 700-man sterke uit Fransen en Belgen bestaande groep Patriotten de stad binnen marcheerde. Omdat die eenheid aangevoerd werd door de zuiderse Monsieur le vicomte de Pontécoulant zal het volk ’s mans vrijwilligers weldra voor Pontécoulanten uitmaken. Inmiddels had de Hollandse kolonel baron Destombes zich met zijn mannen opgesloten in de Citadel. En had de stedelijke overheid het nodig geacht de bevolking aan te manen zich van elke vorm van onwelbehagen ten overstaan van de “bevrijdende” invallers te onthouden, want deze herrieschoppende en plunderende heren werkten feestelijk op de zenuwen van het meer op rust dan op lawaai gestelde volk.

Op 13 oktober 1830 vingen de Franco-Belgen dan maar het beleg aan van de Citadel doch voorlopig schenen ze maar geen bewijs te kunnen geven van hun krijgskunst. Daarom trokken ze te velde tegen de Burgerlijke Wacht die poogde de excessen van de Fransgezinden wat in te tomen. Gevolg : schermutselingen op bepaalde plaatsen in de stad zoals op Sint-Pieters en bij de Koornmarkt. Balans: 6 doden en meerdere gewonden. Op de foto is de schietpartij afgebeeld aan de St.-Niklaaskerk. De leden van de Burgerlijke Wacht krijgen volgens de begeleidende tekst “et pour les besoins de la cause” de titel van Orangisten.

Gelukkig tekenden beide partijen op 17 oktober 1830 de overgave van de Citadel waarna de Hollandse soldaten al vlug richting Antwerpen trokken en de Fransgezinden eveneens de aftocht bliezen.

21 april 1942. Een Gents advokaat heeft op zijn grond buiten de Kortrijkse poort een huis gebouwd. Een wet van 8 juli 1791 verbiedt echter te bouwen binnen een afstand van 1800 voet rond een citadel. Advokaat Souter wordt veroordeeld zijn huis af te breken.

Neem om het even welke plattegrond van de stad ter hand die dagtekent van ca 1830 tot ca 1870. Op alle ontdekt u in de zuidwestelijke hoek van de stad een reusachtig tien stralen tellende ster die de ruimte opvult gelegen tussen de huidige Kortrijksesteenweg, de Burgemeester Karel de Kerchovelaan, de Normaalschoolstraat, de Zwijnaardse Steenweg en de spoorweg. Met die ster stelde men de Citadel voor waarvan de ontwerper, de Nederlandse majoor C. P. Gey van Pittius op 15 april 1823 de eerste steen legde. Het rode oppervlak is wat nog rest van het Bastion en waar de lokalen van de Groendienst zijn ondergebracht. In 1826 was met de bouw van de Nemo-me-impune-laces-set ingangspoort het belangrijkste deel van de versterking voltooid doch echt af was deze laatste pas na de uitbarsting van de Belgische Omwenteling.

20 mei 1867. In april is bij de gemeenteraad een verzoekschrift ingediend waarbij de gemeenteraad wordt gevraagd de hogere overheid te verzoeken de “Citadel” af te schaffen. Als we een plan van Gent van 1867 bekijken, stellen we vast dat het gedeelte voorbij de Kortrijkse Poort en voorbij de Heuvelpoort niet is bebouwd en dit als gevolg van de militaire dienstbaarheden. De gemeenteraad reageert gunstig op het verzoek. Vooraf wordt aangetoond, dat de Citadel vanuit militair oogpunt niet meer tot nut is. Daarna worden de voordelen van de sloping van de citadel aangetoond. “Le principal besoin de notre cité c’est l’air et l’espace.” En verder: “L’ennemi le plus dangereux c’est la démoralisation des classes ouvrières par l’ignorance et les mauvaises conditions hygiéniques dans lesquelles elles vivent”. Enkele jaren later zal de stad Gent de gronden van de Citadel kunnen aankopen en zal de urbanisatie van deze wijk kunnen beginnen.

16 januari1871. Ondanks een strenge bewaking zijn vijf Franse geïnterneerden er in geslaagd uit de Citadel te ontsnappen.

3 juni 1971. De gemeenteraad keurt het urbanisatieplan van het citadelkwartier goed. De totale oppervlakte (43 ha. 80 a. 38 ca.) wordt als volgt verdeeld:

wegen: 14,19 ha.

tuinen 5,2175 ha.

militaire gebouwen: 4,5216 ha.

te verkopen gronden: 19 ha. 87 a. 47 ca.

Op het ontwerp ziet men de aanleg van de huidige Karel de Kerchovelaan. Verder bemerkt men de dierentuin en de Oude Schelde (links en rechts van de spoorweg). Men ziet ook reeds de inplanting van het Waterkasteel op de Kattenberg, een werk dat echter pas in 1879 zal aanvangen. Dit eerste urbanisatieplan zal verschillende malen worden gewijzigd. Het terrein tussen de Sint-Lievenslaan, de spoorweg, de Benardstraat en de Schelde zal pas in het begin van de 20° eeuw worden geurbaniseerd.

29 april 1872. Met de aarde afkomstig van het afgraven van de Citadel zal de Bijlokelaan (= Martelaarslaan) worden opgehoogd.

12 juni 1872: Bij middel van een Amerikaanse spoorweg wordt de aarde van de citadel naar de Bijlokemeers gevoerd.

5 oktober 1874. De gemeenteraad keurt het nieuw urbanisatieplan van de wijk van de Citadel(= park) goed. Als we het ontwerp van 1871 met het ontwerp van 1874 vergelijken, zien we dat het nieuw ontwerp de aanleg voorziet van de Leopoldlaan, verbonden door vier straten met de Kortrijksesteenweg, straten die in 1876 (we zijn in het jaar van de Pacificatiefeesten) de Marnixstraat, de Nassaustraat, de Egmontstraat en de Brederodestraat zullen worden genoemd. De gemeenteraad stelt een krediet van 100000 fr. (2479 €) ter beschikking van het college om de gronden bouwrijp te maken.

Op 22 juli 1888 is hier in het Citadelpark een monument opgericht ter ere van de gebroeders Vandevelde. Het is het beeld van de zingende jonge neger Sakala, zoon van het Kongolese stamhoofd Mambouco. Het is naar een ontwerp van Armand Heins dat beeldhouwer Louis Mast het kunstwerk ontwierp. Sakala bezingt aan de kleine vijver bovenop een rotsconstructie de bevrijding van Kongo en begeleidt zich daarbij op een inlands instrument, een marimba, d.i. een ideofoon die de vorm heeft van een houten kistje met metalen toetsen. Het kunstwerk werd in 2007 hersteld na een schadegeval maar was al vlug op zijn vertrouwde plaats te aanschouwen.

De broers woonden te Kort Onderbergen, een straat die in 1889 werd herdoopt in Gebroeders Vandeveldestraat en in 1905 verlengd tot aan de Annonciadenstraat. Zij, de gebroers Vandevelde, maakten deel uit van de eerste pioniers die in Kongo hun leven lieten. Jozef Vandevelde (1855-1882) vertrok in 1882 met een expeditie naar Kongo, maar overleed er enkele maanden later aan galkoorts. Het is zijn broer Lieven Vandevelde (1850-1888), luitenant van de artillerie, die in 1884 Sakala (°1874), de zoon van een negervorst, mee naar Gent bracht als een levend bewijs van zijn succesvolle ontdekkingsexploten. Sakala mocht in Gent naar de Middelbare School waar men zich erover verbaasde hoe snel hij zich “civiliseerde”. In 1887 keerde Lieven terug naar Kongo en nam Sakala terug mee. Lieven overleed er aan koorts op 7 februari  1888. Sakala werd er aan zijn lot overgelaten. Smeekbrieven aan het Gentse front mochten niet baten. Sakala was hier niet meer welkom. “Il finit tristement” luidde het droge commentaar in sommige kranten.

In 1889 werd in het Gentse Citadelpark, op de plaats “de schelp” of “la petite vallée” genoemd, het wit marmeren beeldhouwwerk “de geboeide Promotheus onder de klauwen van de gier” geplaatst. Het was het werk van beeldhouwer Louis Pierre van Biesbroeck, geboren te Gent op 17 februari 1839 en overleden te Ukkel op 11 maart 1919. In de volksmond was dit kunstwerk algemeen bekend als “Pietje Bloot”. Bij het uitbreken van de oorlog in 1940 werd het vanuit Mariakerke kapot geschoten. In augustus 1940 werd besloten op de vrijgekomen plaats een openluchttheater te bouwen. Dit geschiedde door de plantsoendienst van de stad onder leiding van architekt Bontinck.

Promotheus betekent “vooruitdenker” of “beramer”. Het was een Griekse vuurgod door Zeus gestraft om zijn listen en het stelen van het vuur uit de hemel. Hij werd op de Kaukasus aan een rots geketend en gepijnigd door een gier of arend welke aan zijn lever wrat. Het was dit laatste tafereel dat door het verdwenen beeldhouwwerk werd voorgesteld.

Op 24 juli 1898 is voor graaf Karel de Kerchove, Gents burgemeester van 1857 tot 1881, een monument-fontein opgericht. Dit op de sedert 16 december 1918 naar hem genoemde laan, vlakbij wat oorspronkelijk de hoofdingang van het Stadspark alias Citadelpark is geweest. Dat park is namelijk aan deze Gentse burgemeester te danken.

De inspecteur van de Plantsoendienst, H. J. van Hulle, onder wiens leiding de perken en bedden aangelegd waren, had bovendien een gedetailleerd ontwerp van parkaanleg gemaakt dat evenwel niet werd uitgevoerd. Had men het gedaan, dan was heel de ruimte begrepen binnen de genoemde ” ring” aangewend geweest voor de oprichting van een nieuwe plantentuin met als ingangspoort de nog bestaande Nemo-me-impune-laces-set poort. Verder een aantal gebouwen voor het bestuur en de huisbewaarder. Ook koude en warme serres ( Victoria regia); orangerie, wintertuin, museum, laboratorium, restaurant, enz. Allemaal dingen die vandaag (1975) zijn verwezenlijkt, al dienen we het restaurant een paar honderd meter verder aan de Heuvelstraat te gaan opzoeken.

Hoe zag het Park er uit in 1876, na de aanleg van de Leopoldlaan, de Marnixstraat en de Brederode-, Egmont-en Nassau-straat (de Pacificatiestraten)? We stellen vast dat er van het ontwerp van Van Hulle heel wat is verwezenlijkt. In 1897 treffen we een 2-delige vijver en ook nog een kleinere vijver aan. Ook de Tuinbouw (Hofbouwschool), ingenomen door de Normaalschool is er gevestigd. En er was het wijdse speelplein waar tijdens de Gentse Feesten een hele resem luchtballons opgelaten werden. Vervolgens verschenen het “Museum voor Schone Kunsten” (1900-1902) en de “Plantentuin” (1903).

Het door dhr. H. De Wilde (opvolger van H. J. van Hulle) opgemaakte ontwerp van het Citadelpark dd april1897 maakt schoon schip met de kazernes, de zg. kazematten, om de aldus vrij gekomen ruimte in een reusachtige vijver om te toveren. Architect Van de Voorde liet naar aanleiding van de Wereldtentoonstelling 1913 een “Feestpaleis” construeren.

Tijdens het uitvoeren van de grondwerken waren verschillende haaietanden uit het “groene” zand opgevist. Wat het bewijs leverde dat waar vandaag de mooiste bloemen ter wereld tentoongesteld worden, eens haaien ( Carcharodons) in een ondiepe zee lustig maar rovend rondzwommen. Een rijke verzameling van die versteende tanden, samen met een merkwaardige collectie schelpen van uitgestorven weekdieren, kwamen in het Schoolmuseum terecht.

28 september 1907. De generaal-opperbevelhebber van de provincie is gisteren om 11 uur ‘s morgens overgegaan tot de officiële ingebruikstelling van de nieuwe Leopoldskazerne. De oude citadel zal op 3 oktober 1907 volkomen verlaten zijn.

17 juli 1909. De heer burgemeester Braun, die eerst voor de volledige afbraak van de citadelkazerne was, is sedert de studies van de verschillende commissies vangedacht veranderd. Hij meent thans dat om allerlei redenen de totale afbraak niet goed te keuren is, evenals het volledig behoud een verkeerde zaak zou wezen. Hij denkt de verschillende zienswijzen te kunnen bevredigen door een ander voorstel.

In 1910 krijgen in het Citadelpark zo’n 200 bomen naambordjes.

De huidige monumentale toegangspoort zou blijven bestaan. De grote ingang die in 1899 in de omheining werd gemaakt voor de Provinciale Tentoonstelling zou eveneens behouden blijven en men zou minstens voorzien in nog twee openingen in dwarse richting. Het inwendige van de citadel zou daardoor geen besloten plaats meer zijn en het volk zou in alle richtingen de citadel en het park kunnen doorkruisen. Op het middenplein zouden grote grasperken kunnen aangelegd worden, welke als speelterreinen dienstig kunnen zijn. De overblijvende gedeelten van de ringvormige gebouwen zou men aan elkaar kunnen verbinden door zachte hellingen, waardoor om zo te zeggen de huidige vesting in een soort “Montagnes Russes” zou herschapen worden.De heer Jan Casier deelde deze mening en zei dat het bestuur van de Wereldtentoonstelling van zins is, op het uitgestrekt middenplein een grootgebouw op te richten voor de bloemen- en plantententoonstelling. Het beginsel van het voorstel van de heer burgemeester werd in stemming gelegd en met eenparigheid aangenomen door de 14 leden van de bevoegdecommissie. De gedeeltelijke afbraak van de Citadelkazerne is beslist.

13 juni 1910. Men is begonnen aan de slechting van de citadel. De magazijnen die op de koer stonden zijn bijna geheel afgebroken. Van de vestingsgordel zal men twee delen van 50 meter afbreken rechtover het “Zwitsers Lusthuis” en het “Museum van Schone Kunsten”. Een stuk van ongeveer 100 meter met de grote ingangspoort blijft staan.

Wat er van de stenen ” ring” bij de opbouw van het Feestpaleis in kwestie overbleef, vertelt u de plattegrond die meteen de belangrijkste gedaanteverwisselingen in beeld brengt die dat Feestpaleis sedert zijn oprichting ondergaan heeft. Door middel van stippels tekenden we de omtrek van het gebouwencomplex. Als voornaamste delen duidden we aan : de eretrap (A) ; de Kleine Feestzaal ( B) ; de Grote (koude) serre, later hal genoemd ( C); de Warme Serre, later verbouwd tot Winterwielerbaan of velodroom be-kand als ’t Kuipke; nu Sportpaleis (D ); het Azaleapaleis (E) en het Casi-no (F ). Ter vergelijking is in volle lijnen de omtrek van het complex weergegeven.

Waren bij de opening van de Wereldtentoonstelling 1913 gesloopt :

a) het gearceerd gedeelte van de “ring” (R), allemaal gewezen soldatenkamers, om o. a. plaats te maken voor de bouw van het Azaleapaleis (E)

b ) het gearceerd gedeelte van de “ring” (R’), grotendeels gewezen soldatenkamers; behouden en natuurlijk aangepast aan de noodwendigheden werden : de monumentale ingangspoort (IP ) en een voor de Plantsoendienst ingerichte berg-en werkplaats (BW) ; de achterkant ervan paalt aan de zg. grot met de 3 gaten

c) het gearceerd gedeelte van de “ring” ( R”), gewezen paardest allen, om plaats te maken voor het Casino (F ).

Waren bij de opening van de Wereldtentoonstelling benut om er wandelplaatsen ofte promenades van te maken nl. het gearceerd gedeelte (R”‘), gewezen zg. paviljoenen voor officieren en de niet-gearceerde gedeelten (R'”‘) gewezen soldatenkamers en opslagplaatsen voor bloem en graan. Naar die wandelplaatsen leidden : de eretrap (A ) en de zijtrappen (TA) en (TC). Op de plattegrond zijn ze aangeduid door middel van streeplijnen. Een paar jaar voor de 2de Wereldoorlog brak men de eretrap (A) weg. De gevel veranderde men derwijze dat de ingang van het gebouw zich nu op de gelijkvloerse verdieping bevond in plaats van op de eerste. Het spreekt vanzelf dat door die verbouwing een stuk van de “ring” (R ‘ ” ) van de kaart geveegd werd. In de loop van 1948 moest de Kleine Feestzaal (B) eraan geloven.

Nog hetzelfde jaar is er aanvang genomen met het optrekken van een volledig nieuwe zaal. Wat na de beëindiging van de werken van de promenades overbleef geraakte niet alleen buiten gebruik, maar verviel zienderogen. De gelijkvloerse gedeelten werden weldra herschapen in broeinesten van ongedierte en terzelfdertijd schuiloorden voor verwilderde katten. Daar die toestand ten langen laatste werkelijk ondraaglijk geworden was besloot men in 1950 de laatste overblijfselen van de “ring” te slopen.

De grasperken  in het Citadelpark werden tijdens de eerste Wereldoorlog ter beschikking gesteld voor het telen van aardappelen en groenten. In een modeltuin kregen de 3.700 genieters van werkmanstuinen van de Plantsoendienst aanwijzingen voor groentenkweek en fruitteelt.

Deze foto toont een binnenzicht van de soldatenkamers. Dat er nog meer overblijfselen van de reeds zo dikwijls genoemde “ring” en andere fundamenten van de Citadel onder gebouwen, wegdek en wandelpaden verborgen zitten hebben we kunnen vaststellen tijdens de werken aan de ondergrondse parkeerplaats.

In 1926 kocht de Plantsoendienst de eerste gemotoriseerde grasmaaier  en in 1955 de eerste vrachtwagen. De werkhuizen in de kazematten van het Citadelpark werden overgebracht naar de kazematten van de Sint-Pietersabdij. In 1973 verhuisde de administratie van de dienst van het Citadelpark naar het woonhuis van de bloemist De Schrijver aan de Ferdinand Lousbergskaai en in 1995 naar de “Villa De Groote” naast het Koningin Astridpark iets verder aan dezelfde kaai. Trouwens de “Plantsoendienst” heet sedert 2004 de “Groendienst” en streeft op termijn naar 10 m² wijkgroen op maximaal 400m wandelafstand voor elke stadsbewoner. De huidige Groendienst bevindt zich aan het Woodrow Wilsonplein.

Deze 4,5ha grote vesting, op een totale grootte van het park dat 26ha bedraagt, bleef onaangeroerd tot 1970 toen de Stad Gent ze van de staat afkocht voor de som van 1.000.000 fr (24790€). Dit met de bedoeling om er een park van te maken. De bastions en de lunetten (een klein vestingwerk met twee schuine, naar buiten gerichte zijden en twee naar achter gerichte zijden. De opening (keel) is op een eenvoudige wijze afgesloten door een borstwering of een muur met schietgaten) werden gesloopt en een deel van de glacieën (licht glooiende buitenborstwering) herschapen in bloembedden en grasperken, beide doorkruist door kronkelende wandelpaden. Alleen de vijfhoekvormige ring, de oude kazernes, zouden bewaard worden.

Sinds 1984 is het Citadelpark een beschermd landschap. In april 2011 keurde de gemeenteraad een bestek goed om het Citadelpark opnieuw in te richten. Uiteindelijk is 150.000 euro gereserveerd voor extra studiewerk en het uitvoeren van kleinere ingrepen zoals het rooien van bomen en struiken.

———-

Bron:

Ghendtsche Tydinghen 1975 – Vol4 N°4/N°5

Ghendtsche Tydinghen 1977 – Vol6 N°3

Ghendtsche Tydinghen 1979 – Vol8 N°6

Ghendtsche Tydinghen 1980 – Vol9 N°5/N°6

http://www.bunkergordel.be

gentblogt-archief.stad.gent – 10.01.2014