Muide

Mude is afgeleid van het Germaanse “munthjan” wat monding betekent en op zijn beurt is afgeleid van muntha- in de betekenis van mond. De Muide in Gent is een verwijzing naar “meers in een deltagebied”. Meers als verklaring voor moerassig gebied of laaggelegen weiland, delta als vertakking van een rivier (Leie).

G. Celis geeft in zijn boek “Beschrijving van Gent” een andere betekenis. De omgeving van de Muide kende veel grachten die het water van het Meerhem naar de Leie deden vloeien. De zandplaten die boven het stilstaande water uitstaken kregen de naam “Muy” of “Muide” mee.

Reeds in 1341 zou op het oosteinde van de Sleepstraat “de vander Mude brugghe” hebben gelegen. Dit “Muidebrugsken” was gelegen aan de huidige Karel Mirystraat aan het begin van “upte grote strate ter Muden”, een weg die liep van de Sint-Salvatorstraat richting Meulestedesteenweg.

De Gentse Muidewijk vormt vandaag, samen met het aangrenzende Meulestede, een schiereiland omgeven door het zeekanaal Gent-Terneuzen, de Voorhaven, het Houtdok en de Darsen. Rond het midden van de 19e eeuw is hier door de ontwikkeling en de uitbouw van de haven een enorme economische ontwikkeling tot stand gekomen waardoor deze oorspronkelijk landelijke wijk een totaal ander uitzicht kreeg. De Muide evolueerde tot een overbevolkte Gentse stadswijk waar haven- en fabrieksarbeiders, kleine neringdoeners en schippers de wijk een eigen aanzien gaven. Het rauwste, platste Gents weerklonk hier in steegjes en beluiken met kleurrijke namen als “’t IJzerhekske, ’t Puurtse van Mie Piane, ’t Fricandonpuurtse, de Konijnepijpe, ’t Wurtelstroâtse enz”.

Toen vanaf de tweede helft van de 20ste eeuw de havenaktiviteiten zich naar het noorden verplaatsten en de aktieve bevolking wegtrok kwam er veel leegstand en verkrotting. Nieuwe bevolkingsgroepen met een andere cultuur kwamen er zich massaal vestigen. In 1986 werd de Muide als herwaarderingsgebied erkend en werden de meeste beluiken weggesaneerd. De vroegere Gentse,volkse geest en eigenheid verdwenen.

Tijdens voorbereidend onderzoek voor een beperkt historisch onderzoek van Muide-Meulestede in het kader van een wijkverkenning werden ook de Gentse bevolkingsregisters nader onderzocht. Deze registers die voor het eerst in 1796 werden aangemaakt sommen per wijk de straten en de bewoners van alle huizen op. Merkwaardig genoeg werd vanaf de telling 1821-’23 van sommige bewoners van de wijk Muide een bijnaam genoteerd. De bijnamen werden er op een, niet altijd duidelijke leesbare en soms variabele manier en plaats bijgeschreven. Soms in potlood of inkt, al dan niet duidelijk onderstreept, bijgevoegd onder de officiële familienaam of ergens in een kolomwaar nog ruimte vrij was. De wijken Muide-Meulestede hadden een totaal verschillend karakter.

Te Meulestede werd er geen enkele bijnaam in de registers genoteerd en de sociale samenstelling van de bewoners was ook verschillend van die van de Muide. De wijk Meulestede werd, in tegenstelling tot de Muide, gekenmerkt door een grote groep middenstanders: brouwers, stokers, slagers, zeep- en zoutzieders en kleine ambachtslui. De ambtenaren hadden duidelijk moeite met het correct weergeven van sommige bijnamen, de dialectische uitspraak leidde soms tot verwarring. Zo werd de bijnaam van de familieclan De Groote genoteerd als halfwarm maar soms ook als halfarm. Een ander typisch voorbeeld zijn bv. de verschillende schrijfwijzen van de bijnaam van Petrus Joannes Haeck. Was het nu torrerigger, totterigger of totereire? Ook fouten bij de identifikatie van dragers van een bijnaam zijn niet uitgesloten. Hebben de ambtenaren Karel Louis Fack en Petrus Constant Fack soms niet met elkaar verward? De bijnaam van de strontman lijkt toch logischer voor mestraper Petrus Constant i.p.v. voor dagloner Karel Louis? Ook de gegevens over geboorteplaats- en datum mogen niet onvoorwaardelijk worden geaccepteerd.

De gegevens voor deze periode kunnen soms zeer onnauwkeurig of ronduit foutief zijn. Twee verschillende geboortedata voor één persoon zijn dan ook het gevolg van afwijkende data in de verschilldende tellingen die werden nagekeken t.e.m. 1857-1866. De officiële voornaam werd als deel van een bijnaam meestal verkort. Pier voor Pieter, Ko(be) voor Jacobus, Lotte voor Charlotte, Mie voor Marie, Vien voor Livinus, Liette voor Nathalie, Trine voor Catharine, Maene voor Emanuel, etc. Een groot aantal bijnamen verwijst naar een opvallend fysiek kenmerk of een karaktertrek zoals er waren den blonten,scheele Anne, den dooven, den eenen armen, kromme Sophie, den zot, den flinken, den scheyter, den taeyen, enz. Sommige bijnamen zijn een verwijzing naar een beroep als den schaersliep, Koben de leest/schoenia, de barbier, den mosselboer,enz.

Enkele familieclans tekenen zich duidelijk af. Leden van de familie De Mild waren bekend onder de bijnaam den krekel, leden van de familie Eechaute onder de bijnaam Angelus, de familieleden Pappens onder de bijnaam Padde, enz. Een eerder merkwaardig fenomeen is het verschijnsel dat de bijnaam een familienaam is, afwijkend van de officiële familienaam zoals Bockstaele/Teirlinck, Delsau(w)/Moens, De Poorter/Coppens, enz. Het viel voor dat iemand met een andere bijnaam werd aangeduid in een andere telling of na verhuis in dezelfde wijk tijdens een telling. Rest nog een serie schilderachtige bijnamen met waarschijnlijk een anekdotische achtergrond en enkele bijnamen waarvan de betekenis ons totaal ontgaat maar die misschien voor een deel teruggaan op volledig vergeten Gentse dialectwoorden. Misschien ontdekt u wel tot uw verbazing een voorouder uit de Muide met een bijnaam? Raadpleeg Ghendtsche Tydinghen 2007 – N°5 en controleer vanaf blz. 301.

———-

Bron:

Ghendtsche Tydinghen 2007 – Vol36 N°5

Gent’s vroegste geschiedenis – Maurits Gysseling