Groendreef kazerne

Welk rechtgeaard Gentenaar kent de kazerne niet aan de Groendreef? Eens de woonst van een vijfhonderdtal gerechtsdienaren? Hoevelen van ons zijn met benepen hart binnengegaan voor het afleggen van een verklaring of het laten keuren van nieuwe autobanden of lichten? De meesten zullen wel met een zucht van verlichting deze gebouwen hebben verlaten zonder te beseffen dat ze voet hadden gezet op bodem met een rijk geschiedkundig verleden

Reeds vóór de Xle eeuw bevond zich aldaar het verblijf van de familie Vaernewyck. Het omwalde kasteel, meestal “steengoed” genoemd, stond op het terrein waar nu het kazernecomplex van de rijkswacht verrijst. Het plan van Hondius uit 1641 toont ons duidelijk waar het steengoed gelegen was. (Afb. 1) De twee aardewegen zichtbaar op die kaart kan men vereenzelvigen met de huidige Wielewaal- en Virginiastraat.

Niettegenstaande Jan van Vaernewyck in 1395 overleed zonder mannelijke ergenamen na te laten en het ganse bezit in vrouwelijke lijn buiten de familie viel, behielden de nieuwe eigenaars de trotse titel “heer van Vaernewyck”. De familie speelde in de loop der jaren een voorname rol in Gent. De akkergronden en bossen die bij het goed behoorden strekten zich uit tot de parochies Sint-Martinus (Ekkergem), Mariakerke en Wondelgem. Het geheel besloeg meer dan 22 bunder land ( 1 bunder = 1Ha40a). De familie had het goed verkregen voor bewezen diensten aan de Graven van Vlaan-deren en hield het in achterleen van het leenhof van de Oudbrug.

Zoals we voorheen lazen, viel de heerlijkheid in 1395 langs vrouwelijke lijn buiten de familie Vaernewyck. Ze ging over naar het geslacht Neuville. Deze verkochten het in 1446 aan Jan de Gruutere. In 1620 begon men met het graven van de Brugse vaart die het grondgebied middendoor deelde. Het leen bleef tot 1689 in handen van de familie de Gruutere tot het bij de dood van de kinderloze Willem, heer van Mariakerke, Vaernewyck, Vogelsang en Ryvisch, in het bezit kwam van zijn echtgenote Maria-Theresia Vereycken.

Haar erfgenamen verkochten het in 1691 aan David Brandt, lid van de Raad van Vlaanderen. Het koopkontrakt spreekt van een “vervallen steengoed”. Pieter-Frans Penneman, erfgenaam van Brandt, schonk het goed aan zijn zoon die het op zijn beurt in hypotheek gaf aan een zekere Joanna van Schoebeke uit Brugge. In 1769 kocht graaf Gage, van Franse afkomst maar te Gent wonende, het domein, liet het oude steengoed afbreken en het “naar de modernste gouste uyt den grond opnieuw optrekken” .

In 1784 bood de graaf, tot tweemaal toe, de heerlijkheid in veiling aan maar er kwamen geen kopers opdagen. Uiteindelijk kocht een gewezen schoenmaker, J .F . Van de Vijvere, het goed en dreef er handel in “witte piqué, bombazijn, mousseline en katoen” en dat alles “voor een civiele prijs”. Diezelfde Van de Vijvere verkreeg van de toenmalige titelvoerende Graaf van Vlaanderen, nl. Jozef II van Oostenrijk, de vergunning het leen in vrij erfgoed te veranderen. Dit was de doodssteek voor de eeuwenoude heerlijkheid. De “Gazette van Gend” van 27 december 1785 kondigt de verkoop aan, in de “herberge de PalingsHuyzen buyten de Brugsche Poorte” van niet minder dan 62 verschillende partijen grond en woonerf.

Het steengoed met omliggend park, kasteeltje genoemd, behoorde in 1816 toe aan de handelaar Bracq uit Gent. Deze verkocht het aan een zekere Van der Donck die het op zijn beurt doorverkocht aan de hoogleraar en bibliothecaris van de Gentse Hogeschool, baron Julius de Saint-Genois die er zijn zomerverblijf inrichtte. Baron Jules de Saint-Genois komt op 10 september 1867 te overlijden in het kasteel der Vaemewijcks op de Groendreef. Hij was geboren te Sint-Kwintens-Lennik op 22 maart 1813. Reeds in 1834 werd hij benoemd tot hoogleraar en hoofdbibliotecaris van de Gentse universiteit. Hij schreef een groot aantal historische werken en was één der stichters van het Willemsfonds in 1851, waarvan hij de eerste voorzittèr was. Tevens was hij gemeenteraadslid van 1852 tot einde 1857 en schepen van onderwijs en schone kunsten van 1855 tot 1857. Baron J. de Saint-Genois werd begraven op het Campo Santo te Sint-Amandsberg. (zie Gazette van Gent en Beurzencourant).

In 1864 werd het bewoond door professor François Laurent schepen van onderwijs van de stad Gent. De laatste eigenaar, Callier, verkocht het ondertussen vervallen kasteel in 1902 aan de S.W. vennootschap “Vooruit” die het liet afbreken. In de plaats kwam een lusthuisje voor bejaarden.

Deze kleine oase voor ouden van dagen hield niet lang stand want het oude Vaernewyckse goed zou nu snel worden volgebouwd met fabrieken. Reeds in 1870 had men langs de Lijsterstraat de vlasspinnerij “Filature du Nord” opgetrokken. De eigenaar ALLIER liet in 1910 de naam veranderen in “Linière du Canal”. Twee jaar later, in 1912, verkocht hij de fabriek aan de vennootschap “Vooruit”. Deze gaf op haar beurt een nieuwe naam aan de spinnerij die nu “Nouvelle Linière du Canal”, in de volksmond “het nieuw fabriekske” genoemd werd. In 1911 opende de firma Motte de katoenspinnerij-en weverij “L’Avenir” aan de Duifstraat (nu Tortelduifstraat) en de Nachtegaalstraat (nu Wielewaalstraat).

Na de eerste wereldoorlog rezen op de Groendreef, tussen de Lijster- en Katoenstraat (nu Virginiastraat) aanzienlijke gebouwen op waarin het centraal bureau van de gefusioneerde bedrijven “Filature Braine-Chateau”, “Filatures Réunies” en de “Filatures Mont St-Paul, de Sidac” werden ondergebracht. Men mag aannemen dat de oppervlakte die “L’ Avenir”, “Nouvelle Linière du Canal” en de gebouwen van het centraal bureau innamen ongeveer deze was van het perceel omvattende het kasteel en de hovingen verkocht in 1785.

In 1926 richtte men in de gebouwen van de ondertussen ook overgenomen “Nouvelle Linière du Canal” een nieuwe fabriek op : de “Filsoietis”. Deze spinnerij schakelde om van vlas op viscose-zijde. Zwaar getroffen door de crisis der dertiger jaren ging “Filsoietis” in 1939 in faling en werd door de staat gevorderd.

Tijdens de tweede wereldoorlog, op 31 juli 1941, kocht de dienst der domeinen de fabriek in naam van de staat van “L’Office des Interventions de crise” voor de som van 5,5 miljoen frank. De Duitse bezetters betrokken de gebouwen tot het einde van de oorlog. Bij de bevrijding werd de fabriek duchtig beschoten vanaf de Palingshuizen waar de terugtrekkende Duitsers zich hadden verschanst. ( 4) Ook de Engelse bevrijders gebruikten de werkhuishallen als garages en opslagruimten.

Na de oorlog kreeg de stad Gent het oude Sint-Pietersklooster, tot dan gebruikt als kazerne, in volle eigendom terug. De Eerste Mobiele Rijkswachtgroep die in de leprozerie van deze abdij gehuisvest was kwam daardoor op straat te staan. Na lange besprekingen en veel moeilijkheden werd “Filsoietis” hun aangewezen als nieuw tehuis. In augustus 1948 kwamen de rijkswachters de fabriek betrekken. De gebouwen bevonden zich in een erbarmelijke toestand. Grootschalige herstellings-en aanpassingswerken waren noodzakelijk. Daar ook de weverij en spinnerij “L’Avenir” van Motte, door gebrek aan bestelingen in 1966 werden opgedoekt, kon de Mobiele Groep ook over die terreinen beschikken. Tot de fabriek op 13 september 1973 door de staat werd opgekocht betaalde men symbolisch één frank per jaar huur aan Motte.

Nadat het ministerie van Openbare Werken in 1968 een bouwvergunning kreeg voor een rijkswachtkazerne (met bureaus en bergplaats voor moto’s en auto’s) op de hoek van de Groendreef en de Lijsterstraat realiseerde men in de jaren 1970-1980 enkele nieuwbouw-uitbreidingen.

In een eerste fase voorzag men een nieuwbouw voor de burelen van het “Gebied en de Territoriale Groep”. De grote binnenplaats richtte men in als parkeerplaats, de gebouwen als magazijnen en garages voor dienst-en aangeslagen wagens. De kantoorlokalen en het woonhuis van de portier paste men aan als voorlopige klas- en studielokalen voor het Universitair Centrum. Door de voortdurende uitbreiding en modernisering van de Rijkswacht was het ook nodig de kazerne in de Ridderstraat, waarin zich de diensten van Oost-en West-Vlaanderen bevonden te vergroten of te verplaatsen. De keus viel op de terreinen van het Vaernewyckgoed aan de Groendreef.

Men begon einde 1970 de opslagplaatsen van “Filsoietis” op de hoek Groendreef-Lijsterstraat af te breken. Het nieuwe gebouw kon worden betrokken in 1973. De tweede faze voorzag een parkeergarage voor het rollend materieel van de Territoriale Groep aan de Lijsterstraat (1973-74). Als derde kwamen een refter, keuken en medische afdeling het complex vergroten, opgetrokken op de hoek van de Groendreef en Virginiastraat (1981).

Verder zijn nog voorzien; een universitair centrum met auditoria, leszalen en logementen voor de kandidaat rijkswachtofficieren die de lessen volgen aan de Gentse universiteit. Men wil nog in de jaren die volgen een sporthal met zwembad, nieuwe garages en werkhuizen voor de Mobiele Groep en moderne logementen en recreatieruimten voor drie escadrons rijkswach-ters bouwen. Of deze plannen ooit zullen worden gerealiseerd is, in het raam van de huidige besparingen, een groot vraagteken.

De huizen die eertijds deze gebouwen in art-decostijl flankeerden en deel uitmaakten van hetzelfde ontwerp werden tijdens die periode wel gesloopt. Achteraan bevindt zich nog een gedeelte van de oude fabrieksgebouwen (weverij). Binnenin werd het echter volledig aangepast aan de nieuwe functies.

Anno 2019 :  lokale en federale flikken gaan ‘samenwonen’ aan de Groendreef

Na ruim 11 jaar gepalaver is nu definitief beslist dat de lokale politie van Gent gaat ‘samenwonen’ met de federale collega’s. Dat zal gebeuren aan de Groendreef, waar de federale nu al zit. Nog voor het bouwverlof schrijft de Regie der Gebouwen een bestek uit om een ‘Masterplan Groendreef’ op te stellen.

Anno 2020

Op de site van ongeveer 7 ha werken een zeshonderdtal mensen van verschillende directies en diensten van de federale politie. Zij voeren hun opdracht uit op het niveau van het Vlaams Gewest, de provincie Oost-Vlaanderen of het arrondissement Gent.

Aangezien de behoeften van de politiediensten zijn geëvolueerd, is de infrastructuur aan vernieuwing toe.  Bovendien zouden de diensten van de lokale politie van Gent, die verspreid zijn over verschillende locaties in de stad, op termijn ook hun intrek nemen op de site. 

———-

Bronnen:

Ghendtsche Tydinghen 1987, Vol 16 N°1 (Roger van Aerde)

Ghendtsche Tydinghen 1979 – Vol8 N°6

https://belgiummilitary.wordpress.com/groendreef/

http://www.hln.be – Sabine Van Damme (25.06.2019)