Hondenslager

DE ‘HONDTSLAGHER’, EEN VERDWENEN BEROEP

Bij het lezen van het woord hondtslagher in een 16de-, 17 eeuwse tekst denkt men aan iemand die hondenvlees verkoopt, naar analogie met paardenslager. Maar dat is het niet. De grote Van Dale kent twee soorten lui die zich gewelddadig met honden inlaten: de hondenslager en de hondenmepper.

Allebei slaan ze honden maar de eerste slaat ze uit de kerk en de tweede slaat ze dood. Het is de “hondtslagher” in de betekenis van hondenmepper waarover het gaat in de Gentse stadsrekeningen.

Al in de vijftiende eeuw werd er in sommige steden een soort hondenbelasting ingevoerd. De jachthonden van de adel werden hiervan vrijgesteld. Op sommige plaatsen was de hondenbelasting een inkomstenbron voor de kerk.

Hondenbelasting en bijbehorende penningen werden ingevoerd om de overlast van honden tegen te gaan. Maar de maatregel heeft ook een averechts effect. Veel arbeiders konden het geld voor de belasting niet missen en zetten hun hond op straat. Waardoor het aantal zwerfhonden alleen maar toenam.

Er werd eveneens een methode toegepast om te kijken of honden wel in de steden mogen zijn. Daarbij controleert de stad of de dieren “door de beugel kunnen”. De beugel is in dit geval een ijzeren band of stijgbeugel. Als de hond niet door de beugel past, dan wordt het dier gedood of uit de stad verbannen. De uitdrukking “niet door de beugel kunnen” komt hiervandaan.

God houdt van iedereen even veel, maar van mensen net iets meer dan van dieren. Een hondenslager was een kerkelijk bediende die als enige taak had om (zwerf)honden uit de kerk te weren. Tot ver in de negentiende eeuw sloegen (vandaar de term -slager) deze bedienden de honden met stokken en zwepen uit het Huis van God, zodat de dienst niet verstoord zou worden door deze canis vulgaris. Ook jeugdige kerkgangers die de dienst verstoorden konden op een ferme tik rekenen. (En ja, hondenliefhebbers, ook katten werden op deze manier uit de kerk geweerd.)

Veel steden hadden hondenmeppers of stokmannen in dienst. Zij maakten korte metten met zwerfhonden door ze met een stok de kop in te slaan. En in tijden van ziekte zoals hondsdolheid kende het beroep van hondenvanger een opleving.

ln het boekjaar 1536-1537 (Register 47) dat liep van onser lieven vrauwen-avondt alfougste 1536 tot alfougste 1537 staat op f° 63:

“Betaelt den Jan Roussel ende syn medeghesellen tsamen de somme van II pond X schellingen (600 groten = 300 stuivers) …over tslaen van XIIc (twaalf honderd) honden ten twaelf miten tstick.” Aan 48 mijten voor 1 stuiver kostte een gedode hond toenaan de stadsthesaurie een kwart van een stuiver.

Nog geen 50 jaar later, in het laatste boekjaar van de Calvinistische Republieklopend van halfougste 1583 tot halfougste 1584 (Register 93), komen zeven posten voor van uitgaven ter bestrijding van loslopende honden zoals:

“Betaald aan Franchois de hoemakere ende consorten 25 schellingen(= 300 groten) ten eenen pennynck gr(ooten) tstick over tslaen 360 honden.” Het is duidelijk dat het hier om 300 honden moet gaan en niet 360. In courante munt is dat een halve stuiver per hond.

Betaald de drye hondtslaghers 20 sch. (= 240 groten) over haerlieder rechtende salaris van 240 honden ten advenante van 1 d(enier) gr(ooten) 2 elcken hond. In courante munt een halve stuiver per hond.

De magistraat was blijkbaar zeer tevreden over hun activiteiten want hij betaalde aan twee van hen, Heyndrick Pallay en Anthonis van Audenhove 48 stuivers voor “eene gratuiteyt extraordinairlick ghejondt ter causen van tgoedt debvoir by hemlieden int faict huerlieder officie ghedaen”.

ln het boekjaar 1583-1584 werd de stad dus van een legertje loslopende honden van maar liefst 1548 exemplaren verlost ten koste van 38 1/2 guldens aan premies en een gratuiteyt van 2 guldens en 8 stuivers. In het daaropvolgende boekjaar (register 94) lopend van 15 augustus 1584 t/m 10 mei 1585 bestond de stadsmagistraat tot 15 november 1584 uit “wethauders anghestelt by de rebeiien” en daarna door die aangesteld door de commissarissen van de koning (van Spanje) doordat Alexander Farnese, hertog van Parma, op 17 september 1584 de stad opnieuw voor het koninklijke kamp kon winnen.

Franchois de hoemakere wordt wel nog vermeld als beneficiant van15 sch. (180 groten) van “gesleghen thebbene 180 honden ten advenante van eenen grooten van den sticke omme den tyt gheendt (eindigend) 3 sept. 84 als doen denselven by scepenen ghecasseert wiert”.

Zou hij op die datum uit zijn ambt van stadshondenmepper gezet zijn? Uiteraard dan door de calvinistische schepenen? Zij hadden het namelijk in ieder geval nog voor het zeggen tot aan de reductie van de stad op 17 september 1984. Of is 3 september 1984 een fout en gaat het misschien om 3 december toen de “koninklijke” schepenen al in het zadel zaten? In de periode van 15 augustus 1583 tot 3 september (3 december?) 1584 betaalden de Gentse schepenen 41 guldens en 4 stuivers om de stad van 1728 loslopende honden te verlossen.

Twee jaar later, in het boekjaar 1586-1587 (register 96, f° 401) is het Simoen de Wispelaere die de hondenmepper vandienst is. Acht sch., 4 groten (=100 groten) worden hem uitgekeerd “ter causen van 200 honden ghesleghen thebben ten advenante van 6 deniers tstick”. Aan 12 deniers voor 1 groot is dit een halve groot of 1/4 stuiver per hond. Achttien jaar later in het boekjaar 1604-1605 (register 114) luidde de doodsklok wederom voor de Gentse hondenbent

Het meppen van honden kostte toen per hond aan de stad dubbel zoveel als in het beginjaar van de carrière van Simoen de Wispelare. Op nog geen jaar tijd werd de stad toen verlost van 494 loslopende honden. Tot een plaag van 1728 honden zoals die van het jaar 1583 lieten de schepenen het toen niet komen.

———-

Bronnen:

Ghendtsche Tydinghen 2007, Vol 36 nr. 5 (R. Ossieur)

http://www.rijnmond.nl: vergeten verhalen – het beroep hondenmepper

http://www.hpdetijd.nl: uitgestorven beroepen – hondenslager

http://www.verbluffend.com