Speelkaarten

Speelkaarten zouden van origine Indisch zijn. Zigeuners hebben in hun drang naar verhuizen het kaartspel over Azië en Europa verspreidt. In de 15e eeuw was het kaartspel in gans Europa gekend. Aanvankelijk werden ze “naipes” genoemd, wat waarzeggen betekent. De kaarten waren in eerste instantie getekend, nadien bedrukt door middel van houten stempels. Dat het kaartspel ook passie teweegbracht maakt het verbod op het kaarstpel duidelijk in veschillende Duitste steden vóór 1400.

In Frankrijk zou het kaartspel door rovers, verscholen in de bossen, bekendheid verwerven. Aan de toenmalige koning Karel VI dd. 1392, gekend als een krankzinning man, zou het kaartspel zijn bekendheid genieten. Het bracht hem de nodige positieve afleiding en vreugde. Waardoor al vlug de mening was toegedaan dat het spel ter zijner behoefte zijn ontstaan kende.

Het lijdt geen twijfel dat speelkaarten in de XIVe eeuw reeds in verschillende landen van Europa waren gekend, ook in Vlaanderen. De oudste Gentse vermelding die wij kennen dagtekent 1539. Een groot aantal kaartspelen waren destijds “in de mode”, het één al wat langer dan het ander. Een verordening van Karel II, koning van Castilië en graaf van Vlaanderen, verbiedt in 1699 de spelen “Bassette, Pharaon. Lantsknecht, Berland en andere van stoeffen ende verhoogen”. De twee eerste zijn in 1786 nog verboden door Jozef II.

In de “Nouvel Almanach des jeux pour l’an de grâce 1782”, te Gent gedrukt, worden volgende kaartpelen vermeld: “l’ Hombre, l’ lmpériale, le Reversis, le Toc, le Commerce, la Tontine, ma Commère, la Guimharde, la Mariée, la Mouche. la Pamphile. l’Homme d’ Auvergen. le Vingt-quatre, la Belle, le Flux, le Trente et un, le Coucou, le Gillet, le Cul-Bas, la Guinguette. le Papillon, l’ Ambigu, la Loterie, le Tromphe, la Ferme, le Hoc, les Dames rabattues, le Phoque en “le Romesteeq”. “Den Dobbelen Schaepers Almanach voor ’t jaer Ons Heere 1816”, uitgegeven te Gent, geeft het reglement van het “Gravejassen”.

Wij hebben in onze voorgaande kroniek vermeld dat in 1790, 1791, 1792, 1793 en hoogstwaarschijnlijk in de volgende jaren van de XVIIIe eeuw in de “Société Littéraire de Gand” (club der edellieden), een grote hoeveelheid “tarotspelen” aan bod kwamen. Tussen 1824 en 1841 werd bij J. Poelman op de Hoogpoort de “Règles générales et particulières sur les jeux d’hombre et de quadrille. par un amateur” gedrukt. Bijna al die spelen, welke bij onze voorouders veel bijval hadden, zijn thans in het vergeetboek geraakt. Tot in het midden van de XVIIIe eeuw kwamen de speelkaarten te Gent gebruikt van Antwerpen of van Brussel. Deze steden importeerden ze op hun beurt uit Frankrijk.

Op 7 maart 1752 voorzag de schepenen van Gent, dhr. F. Guilbert, geboren en gevestigd te Sint-Omaars, te Gent een drukkerij van speelkaarten op te richten. Dat was een nieuwe nijverheid, op quasi hetzelfde moment hier beoefend door de drie gebroeders Polmiers die ter stimulering ontslagen waren van hun “dienst der Burgerlijke Wacht” en andere voordelen genoten. Noch drukplaten. noch speelkaarten van die twee drukkers zijn ons bekend. In de eerste “Wegwijzer” van 1770 staan ze niet vermeld. In de jaren 1770 tot 1869 vinden wij alhier als speelkaartendrukkers Pharazijn, Onderbergen, Sint-Pieters-Nieuwstraat en Lange Munt (1770 tot 1805), Chantou op Sint-Pieters (1770 tot 1773), Cuyl, Savaenstraat (1786 tot 1789), De Porre, Gewad (1795 tot 1841), De Smedt, Langemunt (1806 tot 1812), Steenberge, Zuivelsteeg ( 1812 tot 1821), Bruyneel, Magdeinstraat (1817 en 1818), Agnesins, Vrijdag-markt (1813 tot 1818), Martou, Koestraat (1841 tot 1850), Hennebutte, Gewad (1842 tot 1845), Van der Kelen, Gewad (1846 tot 1848), P1ettinck-d’Huyvetter, Violettenlei (1849 tot 1868), zijn weduwe (1869), Stroobant, Vanderdoncktdoorgang (1869). Met beide laatsten verdwijnt deze kleine nijverheid in 1869.

Gedurende de Franse overheersching werden nogal hoge rechten geheven op het drukken van speelkaarten nl. twintig tot veertig centimes per spel volgens het aantal kaarten waaruit het bestond.

23 december 1800. Jacob de Porre wordt tot 100fr (2.5€) boete veroordeeld om de wetten en de besluiten op het drukken van speelkaarten te hebben overtreden. De figuren van de spelen verschillen wel volgens de tijdperken. Onder de gewone beelden van heren, vrouwen en zotten zijn er “te halven lijve” in dubbel. Die figuren zijn soms door iets anders vervangen, vooral gedurende de Franse republiek, als allerhande fantasieën voorkomen. Hierbij is de gravure weinig verzorgd en ook de kleur is van mindere kwaliteit. Toch is het niet van belang ontblote kaarten van verschillende tijden nevens elkaar te zien.

Het “Museum van Oudheden” te Gent bezit de drukplaten van achttien verschillende spelen, waarvan zes ten minste en misschien wel alle uit het werkhuis van J. De Porre komen. Op één drukplaat is nog te zien, zoals op de oude kaarten, de namen Alexander, Charles of César op één van drie heren. Pallas (Minerve), Argine (Juno), Rachel of Judith op de vrouwen. De zotten dragen geen naam. Bij dat rijk materiaal heeft het museum slechts twee oude spelen en enkele afzonderlijke kaarten. De heer Emile Alldelhof gaf een spel, buiten één kaart die ontbreekt, dat dagtekent van de Franse Republiek. Mejuffer Bytebier schonk een volledig tarotspel van 78 kaarten en toevallig bezit het museum de drukplaten waarmee het spel is gedrukt in het werkhuis van “J. De Porre, fabricant de cartes à Gand”. Dit opschrift staat op de hertenzot.

In de XVIIIe eeuw zijn kaarten niet alleen gebruikt om te spelen maar ook voor verschillende andere doeleinden. De versiering op de rug komt bij ons eerst in de eerste jaren van de 19e eeuw voor. Ook in de XVIIIe eeuw was de rug nog wit en, daar het karton nogal kloek was, gebruikte men de rug om er op te schrijven of te drukken. Het “Museum van Oudheden” bezit daarvan wat voorbeelden. Aldus werd de rugzijde van de speelkaarten gebruikt om er het adres van te verzenden pakken op te schrijven. De kaarten deden ook dienst aan het uiteinde van filassen vlas). Men nam een rijgkoord met lange koperen naalden aan de uiteinden. Eén ervan werd aangedikt door knoopen te maken. Dan schoof men eerst een kaart over de rijgkoord langs een gat door het midden en men schreef op den witten rug de natuur van de kwijtschriften of andere oorkonden, die over naald en koord werden gestoken, zodra ze inkwamen.

Dikwijls werd de speelkaart een adreskaart. Op den rug van een pijken twee staat gedrukt: “François J. Grenier et Compagnie, Marchand de Vin, etc. Demeurant sur la Poele à Gand”. Op een pijken drie leest men in een omlijsting: “J. Corrioles et Compagnie, Négociant à Bayonne”. Op den rug van een harten twee van 1796 staat het volgende chronogram gedrukt: “MYnheer Ik WensChe U een ZaLig nieUWJ aer, en VeeL naer VolgenDe”. Eindelijk heeft een belanghebbende op den rug van een herten tien geschreven letterlijk het volgende: “Le Sieur Donekers a l’honneur d’avertir son mariage avec Mademoiselle Segers le 4 mai 1771. Absent pour 4 jours”. (Alfons Van Werveke)

———-

Bron:

Ghendtsche Tydinghen 2002 – Vol31 N°6

Geschiedenis der beschaving (S.J. Hofkamp)