Parochies

Eenheid van godsdienst versterkt de eenheid van het land. De 7e eeuw is gekend voor de heiligenverering met als voornaamste missionnarissen Amandus en Eligius uit het Franse zuiden en Willebrordus, Bonifatius en Rumoldus als Angelsaksische vertegenwoordigers. Niet enkel bekering staat op het programma, ook verbetering van landbouwmethodes, onderwijs, etc. Bisdommen als Utrecht, Kamerijk en Doornik krijgen vorm.

Kloosters, abdijen, bidplaatsen, kapittels, kloosterscholen, … er ontwikkelt zich een netwerk aan godsdienstige instellingen waarbij Karel de Grote als eerste keizer van het Heilig Roomse Rijk een bepalende rol speelt. De Karolingische vorsten (8-10e eeuw) voeren hierbij de tiendenbelasting in voor materiële uitbouw van de parochie en de vergoeding voor de bedienaars. Een economische groei is het gevolg.

De parochie kenmerkt zich hierbij door een vaste bidplaats, een kerkgebouw met vast patrimonium, in een afgebakend territorium gericht op het eenvoudig innen van de tiendenbelasting. Verder zijn er de vaste bedienaars nl. een pastoor, aangesteld door de bisschop, met onderpastoors en koster. Dit alles ten dienste van de gelovigen die zich laten geleiden door o.m. het ontvangen van de sacramenten zoals het leven (geboorte) en de dood (begafenis). Het woord parochie vindt trouwens zijn oorsprong in het Griekse “Paroikia”, in de betekenis van buur.

Pas na de woelige periode gekenmerkt door de vesnippering van het machtige Frankische Rijk en de invallen van de Noormannen herstelt in de 10e eeuw de economie. De bevolking neemt toe en dorpen ontwikkelen zich. Kerken zijn eigendom van de plaatselijke grondbezitter die op zijn beurt de bedienaar (pastoor) aanstelt. De bisschop benoemt de bedienaar in ruil voor verheffingsgeld (redemptio altaris) → de eigenaar van de kerk strijkt de inkomsten op nl. de tienden en de offergaven. De pastoor heeft recht op een inkomen in verhouding tot de tienden en de offergaven, afhankelijk van de plaatselijke gewoontes en traditie. Er wordt in de literatuur aangaande beschreven situatie dan ook verwezen naar eigenkerken of “églises privées”.

Lokaal ontwikkelen zich, onder het toezicht van een bisschop, gemeenschappen van gelovigen met eigen kerk en pastoor. Dit zowel in de steden als op het platteland. Parochies stijgen in aantal, hun grenzen afgebakend voor de vele gelovigen die hun tienden offerden aan de parochiekerken. Het woord parochie vindt trouwens zijn oorsprong in het Griekse “Paroikia”, in de betekenis van buur.

Binnen de Gentse omwalling telde Gent aan de vooravond van de Franse Revolutie 7 parochies: St.-Baafs, St.-Jacobs, St.-Michiels, St.-Niklaas, H. Kerst, OLV-St.-Pieters en St.-Martinus. Er was de St.-Annakapel, de bidplaats van de abdij van Baudeloo, Het Groot en Klein Begijnhof, de priorij van Waarschoot en nog vele gebedshuizen van religieuze orden.

Capture d’écran (1154)

Rond 1848 steeg de bevolking tot boven de 100.000 wat aanleiding gaf tot oprichting van meerdere kerken. De reguliere orden in het Gentse namen het voortouw zoals de Dominicanen in de Holstraat, de Franciscanen bij de Dampoort, de Jezuïeten in de Savaanstraat, de Ongeschoeide Karmelieten in de Burgstraat en de Recollettenkapel in de Oude Houtlei.

De toename van ongodsdienstigheid onder de lagere burgerklasse voelde als een bedreiging voor de gemeenschap. Bijgevolg zal er een intensieve zielenzorgcampagne worden gehouden. Dringend maar ook logisch daar parochies ontstaan uit de betrokkenheid van de burger en hun geldelijke steun.

Nieuwe kerken werden opgericht: St.-Anna (1853), St.-Antonius (1853), St.-Jan Baptist (1866), St.-Jozef (1872), Ledeberg (1872), St.-Pieters Buiten (1874), Heilig Hart (1877), St.-Macharius (1882), St.-Amandsberg (1883), Gentbrugge (1891), St.-Coleta (1894), St.-Antonius Heirnis (1896), St.-Paulus (1902), St.-Vincentius à Paulo (1909)en St.-Theresia (1909). Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog kon je in het Gentse 23 parochiekerken aantreffen.

Het al of niet oprichten van een parochie heeft verschillende oorzaken:

  • een plaatselijk liberaal bestuur
  • de levensstandaard (sociaal en financieel aspect) van de buurt waar de nieuwe parochiekerk zal worden opgericht
  • de kerkfabriek van de moederparochie zag zich verplicht een deel van haar bezittingen af te staan aan de nieuw parochie

——————–

Bron:

Ghendtsche Tydinghen 15 januari 2000 – 29e jaargang nr.1

http://www.parochie-willebroek.be/geschiedenis-en-patrimonium/geschiedenis-alg/838-2/